Dit veld is verplicht

Dit veld is verplicht

Nee bedankt

Scoop!

Deel 17: 'O nee, daar is hij weer:
het smeltlachje'

schrijfster

Iris Houx

E

Eerder lazen we hoe Esmée haar middelbareschoolcrush Slicky Rikky zoveel mogelijk probeert te vermijden. Toch is ze voorlopig nog niet van hem af, en een oplettende lezer zou zelfs kunnen concluderen dat ze het best gezellig hebben samen. Rik lacht zijn smeltlachje, maar daar trapt Esmée toch allang niet meer in?

De grote boerenkeuken is ongeveer zoals ik me had voorgesteld. Ouderwetse tegels op de vloer, een ronde eiken tafel in het midden, de geur van aarde en natte hond. Aan de muren hangen decoratieve borden met boerderijdieren erop. Het aanrecht heeft zo’n dik granieten blad met kleine spikkeltjes erin zoals mijn oma dat vroeger ook had. 

Rik pakt twee mokken uit het kastje erboven. Hij vult ze met heet water uit een gedeukte fluitketel die hij zojuist zwijgend aan de kook heeft gebracht, terwijl ik naarstig op zoek was naar een quasi losse opmerking die niet kwam. Deze keer wilde ik mijn aversie tegen stiltes geen kans geven om weer belachelijke onzin uit te kramen, ik heb mijn lesje wel geleerd.

‘Mijn auto doet het trouwens weer prima,’ zeg ik, blij dat ik een goed en veilig onderwerp gevonden heb.

Rik zet een mok voor me neer en gaat met de zijne tegenover me zitten. ‘Mooi zo.’

Ik durf hem niet aan te kijken. Halvegare die ik ben, met mijn gebazel bij hem in de auto laatst. Had ik hem maar gewoon laten uitpraten, nu zal ik wel nooit weten wat hij had willen zeggen. Over vroeger, over ons. Ergens was ik daar wel benieuwd naar. Gewoon, uit menselijke interesse. Verder niets natuurlijk.

Maar goed, nu zitten we hier een beetje stil tegenover elkaar te wezen. Waar zouden zijn ouders zijn? En waar blijft Andrea eigenlijk? Zo subtiel mogelijk werp ik een blik op mijn horloge. Ik was nog wel extra laat vertrokken om te voorkomen dat ik er als eerste zou zijn. Op mijn dooie akkertje had ik gereden, lekker muziekje aan. Het najaarszonnetje deed hard zijn best om wat kleur aan de kale velden te geven. Ik werd er relaxed en blij van. Eigenlijk was ik al blij. Gisteren hebben Huug en ik namelijk dat appartementje van Joris bezichtigd en het zag er goed uit. Correctie: best goed. Er zaten wat weinig ramen in waardoor het nogal donker was en het voldeed dus niet honderd procent aan mijn verwachtingen, maar goed, ik moet realistisch zijn. Ik zag ons daar echt wel zitten saampjes. Het is nog even spannend of het doorgaat, want er waren nog andere geïnteresseerden. Even afwachten dus.

Langzaam blaas ik wat adem uit. Ik vind het heel goed van mezelf dat ik het nog niet heb laten afweten bij ons ‘subgroepje’. Ja, ik ben een grote meid aan het worden, ik neem mijn verantwoordelijkheid. Stiekem begin ik er plezier in te krijgen. We hadden zoveel goede ideeën tijdens de eerste brainstorm, ik zie het zitten om aan de slag te gaan.

Ik luister of ik Andrea’s auto al hoor in de verte. Helaas. Alleen het geluid van ruisende bomen. Ze zal het toch niet vergeten zijn? Toen ik het zandpad op draaide dat de oprit van de boerderij moest voorstellen, was haar Toyota nog nergens te bekennen. Ik rekte de tijd zo lang mogelijk voordat ik uiteindelijk aanbelde en Rik veel te snel opendeed, met een scheve grijns en een kapsel dat de indruk moest wekken dat hij net uit bed was komen rollen, maar waarvan ik me moeilijk kon voorstellen dat het echt zo was. Dat zou gewoon te perfect zijn, iets wat hij zeker niet is.

Voorzichtig kijk ik naar hem. Hij heeft een groene trui aan met een logo dat ik niet ken. Ik hou niet zo van groen maar het valt me toevallig op dat het goed kleurt bij zijn bruine ogen, ze worden er zachter van. Misschien heeft iemand hem dat wel ooit gezegd en trekt hij het lelijke ding sindsdien heel vaak aan. Je weet het niet.

Hij laat zich achterover hangen in zijn stoel, nonchalant. Balancerend op de achterpoten blaast hij over zijn thee en kijkt me aan. Ik krijg er weer een raar gevoel bij. Ik moet toch eens wat gaan doen aan die stiltefobie van mij. Andere mensen lijken daar nooit last van te hebben. Kijk Rik bijvoorbeeld, de rust zelve. Hoe doet hij dat? Misschien moet ik er een wedstrijdje van maken met mezelf, proberen zo lang mogelijk mijn mond te houden. Stopwatch erbij en telkens opnieuw een aanval doen op mijn persoonlijke record.

Ik kijk zogenaamd nonchalant terug en trek mijn mok naar me toe. Auw, heet! Geschrokken laat ik hem los.

Rik lacht even. ‘Gaat het?’

‘Prima hoor.’ Tss. Hij is en blijft het enige grote nadeel aan dit hele subgroepgebeuren. Al moet ik toegeven dat zijn autopechhulpactie me iets milder heeft gestemd.

Ik schuif wat op mijn stoel en kuch. Rik trommelt met zijn vrije hand op tafel. Ik doe mijn uiterste best om niets te zeggen, maar ik vind dat ik het voor zo’n eerste poging wel lang genoeg heb volgehouden.

‘Mooie keuken.’

‘Dank je.’ Hij haalt zijn hand door zijn haar met een blik die me irriteert omdat ik hem niet kan duiden. Is het spot? Desinteresse? Of juist interesse?

Ik word gered door Beyoncé. Blij met de afleiding neem ik op. Het is een hijgende Andrea. Ze is minstens een kwartier verlaat, zo begrijp ik tussen het gehijg door. Ik hang op en vertaal het voor Rik. Hierna blijft het onverminderd stil.

‘Waarom woon je nog bij je ouders als ik vragen mag?’ zeg ik nadat ik in mijn hoofd langzaam tot tien heb geteld.

‘Bij mijn vader,’ verbetert hij me. ‘Mijn moeder is twee jaar geleden gestorven.’

Ik schrik. ‘Sorry, dat wist ik niet. Wat erg voor je!’ Hoe kan het dat ik dat niet wist, in zo’n klein dorp? Ik woon er dan wel niet meer, toch komt dit soort informatie meestal wel via mijn moeder of Andrea bij me terecht. Maar ja, de Van de Akkers wonen ver in het buitengebied en waren altijd al wat zonderling. Ik weet niet eens hoe zijn moeder eruitzag.

Rik negeert mijn opmerking. ‘Ik ben na de middelbare school uit huis gegaan om te studeren. Ik kreeg een baan daar in de regio en bleef er wonen. Maar toen overleed mijn moeder en sinds een tijdje gaat het steeds slechter met mijn vader, hij heeft een ziekte waarbij hij langzaam blind wordt. Hij kan wel wat hulp gebruiken.’ Hij haalt een hand door zijn haar terwijl zijn blik blijft hangen op een plek op de vloer naast mij. ‘Dus heb ik me tijdelijk laten overplaatsen naar een project hier in de regio zodat ik thuis kan wonen, tot het… tja, tot het niet meer nodig is. Mijn vader staat op de wachtlijst voor extra hulp aan huis.’ En alsof hij mijn gedachten raadt: ‘De boerderij is groot genoeg, dus we hebben allebei onze privacy.’

‘Goh. Lief van je,’ breng ik uit. Tot mijn eigen verbazing meen ik het.

‘Hoe is het op je werk?’

‘Goed,’ zeg ik monter.

Hij trekt een overdreven frons in zijn voorhoofd. Het ziet er komisch uit.

‘Nou ja…’ Ik haal mijn schouders op en besluit het verhaal van mijn biecht aan Jasmijn te vertellen. We moeten tenslotte nog zeker een kwartier op Andrea wachten, waar moeten we het anders in vredesnaam over hebben?

Rik vindt het allemaal wel vermakelijk. Hij lacht een keer schokschouderend als ik Jasmijns opmerking herhaal over mij als haar ‘hulpje’.

‘Nee maar serieus Esmée: goed gedaan hoor,’ zegt hij als ik klaar ben. Het is onduidelijk of hij het meent of weer eens de spot met me drijft.

Na iets wat veel langer lijkt dan een kwartier komt Andrea eindelijk aanwaaien. Rik zet opnieuw thee en dan kunnen we beginnen met onze meeting. Omdat zijn vader de keuken dadelijk nodig heeft verhuizen we naar Riks slaapkamer die een verdieping hoger ligt. Ik weet niet wat ik me daar precies bij had voorgesteld, maar ik moet hard mijn best doen om niet in lachen uit te barsten. Boven het eikenhouten bed dat onder een schuin dak staat hangen twee vervaagde posters. Als mijn ogen aan het donker gewend zijn herken ik in de ene het bleke hoofd van Eminem en in de andere een poster van een groep, hoogstwaarschijnlijk de Red Hot Chili Peppers. Ik herinner me dat Rik daar vroeger zwaar fan van was en dat hij ook wel eens een concertshirt droeg. Tegen de verste muur hangt een prikbord met eveneens vergeelde dingen, zoals concertkaartjes en foto’s. Het enige wat ik duidelijk herken is een foto van een jonge Rik die een enorme vis omhooghoudt.

Rik ziet me kijken en begint te lachen. ‘Zoals jullie kunnen zien, heb ik al jaren niets meer veranderd aan deze kamer.’

Ik durf nu hardop te lachen en Rik doet mee. ‘Eminem,’ hik ik. Ik wijs naar de poster. Geen idee waarom.

‘Nou, toevallig was dat best dope muziek, hoor.’ Hij grijnst.

Andrea reageert nergens op, ze is vooral bezig haar volle mok thee veilig te vervoeren.

Ik laat mezelf in de leren bank vallen die tegen de wand met het prikbord staat. Andrea zet eerst haar thee veilig op de grond en komt dan naast me zitten.

Terwijl Rik de laptop opstart aan een tafeltje onder het dakraam, kijk ik nog eens rond. Hier woont hij dus. Dit is zijn slaapkamer, in dat bed ligt hij elke nacht. Het is trouwens netjes opgemaakt, dat valt me mee. In dit bed sliep hij waarschijnlijk ook al toen ik als pubertje van hem droomde, een paar dorpen verderop, onder mijn Britney Spears-dekbed. Ik kijk naar hem daar achter zijn laptop. Hij kijkt op en knipoogt. Ik ga verzitten. Pfff, best warm zo’n zolderkamer, zelfs in de winter.

*

‘Zullen we maar beginnen dan?’ Andrea klapt een keer in haar handen. ‘Laten we starten met het jongerenprogramma,’ gaat ze verder zonder ons antwoord af te wachten, fanatiek als altijd. Het merendeel van onze plannen van de vorige keer is goedgekeurd door het comité en we moeten ze nu dus verder uitwerken.

‘Robbert heeft gezegd dat we niet zozeer voor originaliteit van de activiteiten moeten gaan, maar vooral voor wat aanslaat bij de jeugd. Op die leeftijd zijn dat meestal geen extreme of onbekende dingen.’

‘Nou, wat gaat het worden?’ zeg ik. ‘Koekhappen, zaklopen, ezeltje-prik? Zeg het maar.’

Rik glimlacht even, maar bij Andrea kan er geen lachje vanaf. Die neemt dit soort dingen ook altijd zo serieus, de schat. Alsof het een afstudeerproject is waar haar toekomst van afhangt. Waarschijnlijk heeft ze zich er al helemaal in verdiept; het internet afgestruind, uitgebreide Excelsheets met vergelijkingen opgesteld, en ik durf te wedden dat ze ook al een work breakdown structure heeft gemaakt, daar is ze fan van sinds de dag dat ze het ontdekte.

‘Ik had eens zitten denken. Misschien kunnen we…’ Andrea rommelt in haar tas en haalt daar, jawel, een hele stapel prints uit en begint een stuk of twintig mogelijkheden, websites en bedrijven op te noemen. En bingo, daar komt de Excelsheet met een ‘voorzichtige kostenraming’ zoals ze het noemt. Ik vrees dat we hier de eerstkomende uren nog niet weg zijn.

Gelukkig omvat haar voorwerk ook een lijst met alle ideeën uit onze brainstormsessie op een rijtje, zodat we daar handig op kunnen voortborduren. Alles gaat heel vlotjes, we vullen elkaar prima aan. Voor de jongeren besluiten we een zeskamp te organiseren met onder andere een zeephelling. Hoewel niet bijster origineel, staat het garant voor succes en qua kosten valt het binnen het budget. Ook werken we een idee uit voor een pubquiz met grappige opdrachten die we op een leuke, maar toch leerzame manier verweven met de geschiedenis van ons dorp. ‘O, Robbert gaat dit zó leuk vinden,’ jubelt Andrea een paar keer. Ik begrijp niet waarom ze het zo belangrijk vindt wat dat ribbroekdragend aanhangsel van de burgemeester van al onze plannen vindt. Sowieso was Andrea nooit zo’n typje dat zich snel conformeert aan anderen, maar soit, een mens kan veranderen en ik hou toch wel van haar.

*

Na een kwartier of drie, ik heb net een enorme wegzakker, staat ze plotseling op. Gehaast pakt ze haar spullen bij elkaar en vertrekt met een zwaaiende hand en haar telefoon tegen het oor. Ik kijk Rik verdwaasd aan. ‘Oproepdienst,’ verduidelijkt hij en staat op om haar uit te laten. Ah, natuurlijk. Ik had niet eens gemerkt dat ze een berichtje had ontvangen. Ik werp haar een kushandje toe, maar ze is zo druk bezig met haar telefoon dat ze het niet in de gaten heeft.

‘Tja, jammer,’ zeg ik als Rik terugkomt. ‘Zieke dieren gaan nu eenmaal voor.’

‘Tuurlijk.’ Hij knikt, gaat zitten en kijkt besluiteloos om zich heen. ‘Jij nog thee?’

‘Nee, dank je. Ik moet ook eens gaan.’

‘Hoeft niet hoor. We kunnen die pubquiz misschien verder uitdenken?’ Hij strijkt een keer met zijn hand langs zijn kaak en kijkt me vragend aan. Smeltlachje. Hij heeft het niet eens in de gaten.

‘Nee…’ antwoord ik. Ik wil toevoegen dat ik nog met Hugo naar de stad moet voor een nieuwe kamerplant of zo, maar ik doe het niet, geen idee waarom. Wat gaat het Rik ook aan wat ik allemaal uitspook in mijn vrije tijd?

Dan word ik gered door mijn telefoon. Ik maak een verontschuldigend gebaar en neem op.

Het is Mei-Lan. ‘Hoi! Stoor ik? Waar ben je?’

‘Nee hoor. Gewoon,’ begin ik te stamelen. ‘Bij iemand. Die ik ken. Ergens.’ Jezus dat klinkt vaag. Eerder alsof ik een lijk aan het verstoppen ben.

‘Okeee…’ antwoordt ze langgerekt. ‘Maar luister, hoe zit het met ons etentje?’

We gaan morgen weer eten met de meiden en het is mijn beurt om een restaurant uit te zoeken. Eerlijk gezegd heb ik daar nog niet over nagedacht, ik had het een beetje voor me uit geschoven. We overleggen even, Mei-Lan stelt voor om een restaurant te nemen dat ons al eerder goed bevallen is. ‘Vooral die langoustines, oh la la!’ zegt ze. Ik glimlach en zeg dat ik straks zal bellen om te reserveren. Nadat ik heb opgehangen zet ik meteen een reminder in mijn telefoon.

‘Sorry,’ glimlach ik naar Rik. ‘Etentje met mijn vriendinnen, we moesten even overleggen over een restaurant.’

‘Zijn dat je studievriendinnen? Waar Jasmijn ook bij hoort?’

‘Ja die…’ antwoord ik. ‘Maar zoals ik al zei gaat het helemaal prima tussen ons op het werk. Echt. Alleen moet ik mijn “leugentje’’’ – ik pauzeer even om een quotegebaar in de lucht te maken – ‘nog opbiechten aan die andere twee.’ Ik trek een moeilijk gezicht. De waarheid is dat het eigenlijk al een tijdje vaag is tussen ons. Rond lunchtijd sneakt Jasmijn er telkens tussenuit om alleen of met anderen te gaan pauzeren. Iedereen behalve mij. Gisteren noemde ze me zelfs een ‘typemiep’ in het bijzijn van Xandra en Zizi. Het moest een grapje voorstellen, maar ik vond het niet echt leuk. Ach, ze zal wel stress hebben. Vlak daarvoor had ik haar doorverbonden met ene Beth die blijkbaar met spoed iets van haar nodig had, want ik hoorde haar wanhopig herhalen dat ze afhankelijk was van anderen en dat ze er niets aan kon doen om het te versnellen. Ik had medelijden met haar, er ligt veel druk op haar en ik vergeet nog wel eens dat ze er nog maar kort werkt. Zelf ben ik inmiddels gewend aan de druk en de sfeer. En natuurlijk heb ik ook een andere functie dan zij. Minder belangrijk, denk ik er sarcastisch achteraan. ‘Kijk, dit zijn ze.’ Ik haal een foto van ons vieren naar boven uit mijn mobieltje. We waren een dagje naar Antwerpen waar we echt compleet dronken zijn geworden in een heel vaag hotel met allemaal opgezette dieren aan de wand die na een tijdje begonnen te leven voor mijn ogen. Toevallig sta ik er heel voordelig en slank op, maar dat is dus gewoon toeval. Ik wijs ze aan: ‘Do, of Dominique eigenlijk. Mei-Lan. Ik natuurlijk. En dit is Jasmijn.’

Rik komt naar voren en bestudeert de foto van dichtbij. ‘Leuk clubje. En wie was dit, zei je?’ Hij wijst Jasmijn aan.

‘Dat is dus Jasmijn, tevens mijn nieuwe collega slash bazin,’ grap ik.

Hij pakt mijn pols en brengt het mobieltje dichter bij zijn gezicht. Ik ruik zijn geurtje. Dolce & Gabbana. Heeft Huug ook een tijdje gehad. ‘Komt ze hier uit de buurt of heeft ze bij ons op school gezeten of zo? Ze komt me zo bekend voor.’

‘Nee hoor, ze komt uit de Randstad. Misschien lijkt ze op iemand die je kent.’ Als Rik mijn pols loslaat bekijk ik de foto nog eens. Een lachende vrouw met halflang donkerblond haar, perfecte tanden en dure maar vrij saaie kleding als ik heel eerlijk ben. Die zijn er zoveel.

Rik werpt nog een laatste blik op de foto. ‘Hm, ik weet het niet. Misschien schiet het me nog een keer te binnen.’

‘Nou, dan ga ik maar eens.’ Ik stop mijn mobieltje weg.

‘Oké, ik zal je even uitlaten. Ga ik meteen de paarden voeren.’

‘Paarden?’ vraag ik verbaasd. ‘Hebben jullie paarden?’ Het is natuurlijk niet zo heel cool om te zeggen dat je een paardenmeisje bent, maar ik ben dol op paarden. Jaren heb ik gezeurd om paardrijles, maar mijn ouders bleven erbij dat het te duur was door de aanschaf van speciale paardrijkleding en zo, en dat ik het waarschijnlijk toch al na twee lessen beu zou zijn en dat we dan weer met die dure kleding bleven zitten, blablabla. Het zal wel vóór de hoogtijdagen van Marktplaats geweest zijn. Gelukkig had ik een nichtje met een verzorgpaard, met haar mocht ik wel eens mee en dat vond ik echt geweldig.

‘We hebben er twee,’ zegt Rik. ‘Ze zijn eigenlijk van mijn zus. Sinds ze uit huis is rijdt ze nog maar een keer of twee per jaar, maar ze moet er niet aan denken dat we ze wegdoen. Zou ik ook niet willen hoor.’

‘Als ik het geld had, zou ik ze zó adopteren. Ik ben echt gek op paarden.’ Het klinkt echt te blij, als een paardenmeisje. Vreselijk.

Rik lacht. ‘Wil je ze zien?’

*

De kleine stal ligt achter in de tuin, we lopen erheen over een modderig paadje tussen het hoge gras. Dat ik mijn schoenen vanavond moet schoonmaken maakt me niet veel uit.

De paarden hinniken zacht als ze Rik herkennen. Ik stap op het houten vlondertje zodat ik ze kan aaien. Ze zijn prachtig. De ene is een ruin met de naam Chandler, zo vertelt Rik, en de andere een merrie die Monica heet. Ik begin te lachen, zo’n snurkend lachje waar ik een hekel aan heb bij mezelf.

‘Mijn zus was vroeger fan van Friends,’ verontschuldigt Rik zich grijnzend.

Chandler is donkerbruin, bijna zwart, en Monica is lichtbruin met een witte bles. Ik steek mijn hand uit naar Monica die er direct haar hoofd tegenaan legt.

‘Ze zijn niet meer de jongsten, maar er valt nog prima op te rijden, hoor.’ Hij klopt de ruin op zijn flank. ‘Nietwaar Chandler? Wij gaan er nog graag samen op uit.’

‘Maar je kunt ze toch niet allebei tegelijk meenemen?’

‘Ik ga om beurten met ze, ik probeer elke week één van de twee mee te nemen voor een rit.’ Na een korte stilte zegt hij aarzelend: ‘Maar als je een keer mee wilt? Je zou ze er een groot plezier mee doen. Kunnen ze eindelijk weer eens samen draven.’

Ik zie het voor me: twee uitgelaten paarden die met wapperende manen achter elkaar aan draven. Ik in het zadel. En Rik. Het lijkt me geweldig… maar ook weer niet. Dit past totaal niet in het oorspronkelijke plan om Rik zoveel mogelijk te mijden.

‘Het is maar een idee. Ik bedoel, het kwam ineens in me op omdat je zei… Nou ja, ik begrijp wel als je er niets voor voelt.’

‘Jawel, het lijkt me geweldig,’ hoor ik mezelf zeggen. En ik meen het ook nog. Ik zie mezelf al als een soort Stevie uit McLeod’s Daughters door de velden rijden met een cognackleurig, suède hesje met franjes die wapperen in de wind, een Stetson op mijn hoofd en stoere cowboylaarzen.

‘Mooi.’ Rik glimlacht. ‘De paardrijkleding van mijn zus ligt hier nog.’ Hij wijst naar een haak aan de muur waaraan een afzichtelijke cap hangt en een hoopje voddige, beige stof. ‘Jullie zullen ongeveer dezelfde maat hebben. Mijn zus is ook heel slank.’ Tss, slijmerd. ‘Misschien niet meer de laatste mode, maar nog prima in orde,’ voegt hij eraan toe. 

OVER IRIS HOUX

Iris Houx is geboren en getogen in Noord-Brabant. In 2010 begon ze met het schrijven van korte verhalen en columns. Ze publiceerde o.a. in Dagblad Metro, TPO Magazine, Viva en Esta en won diverse schrijfwedstrijden. Sinds 2013 is ze vaste columniste van Chicklit.nl, waar ze met haar humor en eigen stijl een grote groep vaste lezers aan zich weet te binden. Scoop! is haar debuutroman.

OVER SCOOP!

In Scoop! neemt schrijfster Iris Houx neemt je mee in de wereld van Esmée Evers. Esmée verhuist naar de grote stad, waar ze een baan krijgt als redactiechef. Althans, dat vertelt ze haar vriendinnen, in werkelijkheid is ze redactieassistente. Haar leugentje is lastig vol te houden als één van haar vriendinnen haar bazin wordt bij hetzelfde magazine. Wanneer een bekende tv-ster noodgedwongen moet onderduiken, krijgt Esmée de kans zichzelf te bewijzen. Ze bedenkt een plan dat niet alleen de media op zijn kop zet, maar ook haar eigen carrière, vriendschappen en relatie...

Gerelateerde onderwerpen