Dit veld is verplicht

Dit veld is verplicht

Nee bedankt

Scoop!

Deel 30: 'Het is oorlog,
o ja!'

schrijfster

Iris Houx

V

Vorige week lazen we hoe Esmée helemaal klaar was met haar studievriendinnen. Dit was the bloody limit, ze pikt het niet meer. Aangemoedigd door Andrea en gewapend met een uitspraak van Rik als mantra, gaat ze op oorlogspad richting kantoor. Als hier maar geen doden vallen...

Ik heb lef. Ik heb doorzettingsvermogen.

De woorden galmen als een mantra door mijn hoofd. In een van die spirituele boeken die ik echt bijna nooit lees, stond dat een mens het beste gekarakteriseerd wordt door de manier waarop hij met tegenslagen omgaat. Of zoiets. Waar het op neerkomt is dat ik deze tegenslag waardig ga dragen. Ik laat de woorden nog een keer resoneren onder mijn hersenpan.

Ik heb lef. Ik heb doorzettingsvermogen.

Ik hoop dat het snel gaat werken, want tot nu toe zit ik op van de zenuwen achter mijn bureau. Het is vijf voor negen. Waar blijft ze? De hele bende is al voorbijgekomen: Xandra, Zizi, Gretta (met Paisley in haar eigen designtas/mandje), Tjibbe (chagrijnige blik: check), Lolien (hyenalach: check), Ines en zelfs Morris. Over een halfuur hebben we redactievergadering. Ik heb bijna al mijn nagels afgekloofd en de twee die dat lot nog niet heeft getroffen, zullen er zo meteen aan moeten geloven.

Eindelijk hoor ik de welbekende en gevreesde tred van Jasmijn in de gang. In mijn hoofd pak ik er een galmende microfoon bij: Dames en heren. Wat we hier horen is de gelijkmatige tred van Jasmijn Wetzers in haar champagnekleurige Versace-stiletto’s met een hak van ruim twaalf centimeter. Jasmijn is verder te herkennen aan haar grote passen en de langzame afwikkeling van haar voet.

Die tic is zowel een zegen als een vloek. Ik word instant nerveus, mijn hart schiet naar mijn keel en shit… al mijn nagels zijn op. Snel. Hoe zat het ook alweer? Ik heb lef. Ik heb doorzettingsvermogen. Ik heb lef, ik heb…

Daar komt ze!

‘Doorzettingsvermogen!’ roep ik. Shit. ‘Eh… Goedemorgen Jasmijn,’ herstel ik me.

Shit shit shitterdeshit. Dat begon niet helemaal zoals gepland, maar Jasmijn mompelt iets terug zonder me aan te kijken. Wat krijgen we nu?! Waarom geen valse blik? Waarom komt ze niet met een gemeen lachje op me af sluipen? Waarom geen vernederende opdrachten? Koffie halen, balpennen op kleur en grootte sorteren (echt, Valerie heeft het me ooit gevraagd), goede ideeën bedenken waar zij mee aan de haal kan gaan? Alles had ik verwacht, behalve dit.

Jasmijn rommelt in haar tas, waarschijnlijk op zoek naar de sleutel van haar kantoor. Vandaag heb ik die niet alvast voor haar geopend, zoals ik normaal doe, net zoals de verwarming aanzetten en haar pc opstarten. Allemaal onderdeel van mijn plan.

Maar waarom doet ze zo? Bijna alsof ze bang voor me is. Dat lijkt me wat snel, ik heb nog nauwelijks de kans gehad een van mijn bitchy blikken op haar los te laten. Zou ze zich schamen voor haar gedrag van zaterdag? Het zal toch niet waar zijn? Het zal verdorie toch niet waar zijn, hè? Ineens voel ik iets opborrelen uit mijn binnenste. Ik moet de neiging onderdrukken om hard te lachen. Het is een vreemde gewaarwording dat mijn zenuwen zomaar ineens lijken te vervliegen als een spook in de nacht. Een eng spook dat gewoon een onschuldig, bewegend gordijn bleek. Waarom zou ik bang zijn voor Jasmijn? Waarom ben ik dat ooit geweest?! Ze is niet beter dan ik, integendeel. Ik ben verdorie veel slimmer en beter dan die trut. Dat ze die functie heeft gekregen wil niet zeggen dat ze hem ook kan houden. Zonder mij is ze nergens en dat zal ik haar laten voelen ook. Het is oorlog, o ja!

Maar wel een professionele oorlog natuurlijk, denk ik terwijl ik Jasmijn nakijk die haar sleutel niet kan vinden en nu vloekend en nog steeds zonder mij aan te kijken de gang op verdwijnt. Alles moet plaatsvinden binnen het kader van het professioneel toelaatbare. Niets wat mijn baan in gevaar zou kunnen brengen. Een legale guerrillaoorlog op microniveau. Zoiets. Geen enkele collega hoeft er ook maar iets van te merken, niemand zal er last van hebben. Behalve Jasmijn.

Na een korte afweging besluit ik te beginnen met het zaaien van verwarring in het kamp van de vijand, een oorlogstactiek die al in de tijd van de oude Grieken werd toegepast.

Zodra ze eindelijk – door interventie van een bewaker met een loper – in haar kantoor zit, ga ik naar haar deur en klop aan. Zonder een reactie af te wachten gooi ik hem open.

‘Koffie?’

Jasmijn staat nog met haar jas aan achter haar bureau, waarschijnlijk weet ze niet eens waar ze de computer aan moet zetten. Verschrikt kijkt ze me aan. Als ze zich heeft hersteld neemt ze me onderzoekend op. Als ogen konden fouilleren, zou ze er nu zeker gebruik van maken.

Vriendelijk glimlachend blijf ik staan.

‘Graag,’ zegt ze aarzelend.

Niet dat ze ervan drinkt, als ik een paar minuten later terugkeer met koffie nummer 168. Mét een wolkje magere koffiemelk en twee zoetjes, precies zoals ze hem altijd drinkt. Ze kijkt ernaar alsof het een lief klein hondje is dat misschien toch ineens kan gaan grommen of bijten. Ze vertrouwt het voor geen meter. En geef haar eens ongelijk, ook ik twijfelde daarnet even of ik mijn neus niet flink zou ophalen en de opbrengst ervan door haar koffie zou roeren. Maar dat ging me toch net te ver.

Jasmijns enige reden om me toch naar de keuken te laten lopen, was waarschijnlijk om tijd te winnen zodat ze haar strategie op de mijne kon afstemmen. Zodra ze het kopje demonstratief aan de kant heeft geschoven, vuurt ze haar eerste kanon af.

‘Ik wil vandaag aan de slag met dat special Jayona issue. Hoe zit het met jouw voorwerk? Jij zou jouw eerdere ideeën toch uitwerken tot artikelen en zo?’ Ze steekt haar kin naar voren en knijpt met haar ogen. Ze weet dat het haast onmogelijk is dat ik daar nu al iets aan gedaan heb. Fout! Toevallig zat ik vrijdag in een pragmatische flow en ben ik meteen aan de slag gegaan. Het was een rustige middag en ik kon prima doorwerken.

‘Uitstekend,’ antwoord ik dus. ‘Ik heb een uitgebreid overzicht van mogelijkheden gemaakt, inclusief kostenraming en een tweetal artikelen geschreven die al zo goed als af zijn.’ Daar heeft ze niet van terug. ‘Ik zal even kijken wat ik voor je heb.’

Ik loop haar kantoor uit, pak de bewuste ordner van mijn bureau en loop ermee terug. Lef en doorzettingsvermogen. Ik heb lef. Ik heb doorzettingsvermogen.

Ik gooi de ordner op haar bureau en begin erdoorheen te bladeren.

Bovenop zit een checklist. ‘Staat het opstellen van checklists voor mijn bazin in mijn functieomschrijving?’ vraag ik. Als Jasmijn me verbouwereerd aanstaart, geef ik zelf maar antwoord: ‘Nee.’ Ik pak de checklist die al voor driekwart is afgevinkt en trek hem eruit. ‘En wat hebben we hier? Een ideeënlijst. Ideeën heb je zelf vast genoeg, je hebt deze functie niet voor niets gekregen.’ Ik ruk hem eruit en scheur hem doormidden voor haar neus.

Nog steeds zegt Jasmijn niets. Ze kijkt me met grote ogen aan, haar wangen kleuren langzaam rood en haar mond staat een stukje open.

‘Ha! De kostenraming. Zoiets kan een assistentje natuurlijk nooit. Dat kun jij veel beter! Weg ermee!’ Ratsj! Met een theatraal gebaar scheur ik hem uit de map.

Zo ga ik nog even door met mijn research naar praatgrage vrienden en kennissen van Jayona, een lijst verzamelde quotes en zeven A4’tjes met bijna geheel uitgewerkte artikelen die wat moeilijk loskomen, maar na een tweede ruk toch meegeven. Ra-ratsj! Ik krijg het er warm van.

Er komt nu geluid uit Jasmijns halfgeopende mond. Geen zinnig woord, alleen een soort protesterend gepruttel. Ik negeer het en trek een lijst met interviewvragen los. Ratsj!

Hubert loopt voorbij en werpt een angstige blik naar binnen. ‘Archiveren! Dol op!’ verduidelijk ik met verhit hoofd.

Ratsj! Daar gaat het tabblad ‘Overige’ met wat knipsels en als laatste dwarrelt een vel met nog te onderzoeken mogelijkheden op de grond. Jasmijn staart er verward naar.

Ik kijk voldaan. Meer dan een middag werk ligt verscheurd aan mijn voeten en het doet me niets. Integendeel!

‘Alsjeblieft!’ zeg ik, en met een harde klap leg ik de ordner op haar bureau. ‘Al het voorwerk dat ik als assistente hoor te doen, zit er keurig in.’

Jasmijn pakt hem op en slaat hem open. Alleen een vel met basisinformatie over de opdracht en wat contactgegevens zitten er nog in. Het ziet er maar zielig uit. Een ordner met grootheidswaanzin, net als Jasmijn.

Langzaam komt ze weer bij haar positieven. Ze klapt de ordner dicht. Haar gezicht krijgt grimmige trekjes en ze recht haar rug.

‘Prima, bedankt.’

‘Tot je dienst.’ Ik draai me om en keer terug naar mijn bureau, waar ik natuurlijk alle verscheurde informatie nog gewoon digitaal heb. Oeh, wat voelt dat heerlijk. Ik word er helemaal hyper van. Ik heb het gedaan! Lef! Doorzettingsvermogen! Ik onderdruk de neiging om direct mijn telefoon te pakken en Andrea te bellen. Of Rik. Maar ik moet me niet laten afleiden. Koppie erbij houden, Esmée! Wees voorbereid op een tegenaanval.

*

Na de redactievergadering kost het haar nog ruim een uur. Een uur waarin ze zich in de beslotenheid van haar kantoor vreselijk druk zit te maken aan de telefoon, af te leiden uit het met grote regelmaat uitgeroepen Jézus!, wat helaas ook het enige is wat ik ervan versta. Ondertussen zit ik zenuwachtig achter mijn bureau mokkaboontjes weg te kauwen, met mijn pen op mijn bureaublad te tikken en overmatig koffie te drinken.

Dan gaat eindelijk de deur open. Jasmijn marcheert recht op me af en slaat terug: ik moet aan ‘agressieve acquisitie’ gaan doen. Dat heeft ze daarbinnen dus zitten bedenken. Ze wil dat ik vandaag nog alle freelancers van wie we al meer dan een jaar niets hebben vernomen ga benaderen voor een peiling naar hun werkzaamheden en de vraag of ze nog materiaal hebben liggen dat geschikt is voor Go Glam! Callcenterterreur van de bovenste plank dus. Iedereen haat dat soort telefoontjes, iedereen raakt geïrriteerd en iedereen gaat vervelend doen. In het meest gunstige geval knalt men direct de hoorn erop. Een stoot onder de gordel, dat is het. Jasmijn weet namelijk heel goed hoe fobisch ik ben voor telefonische enquêtes. Tijdens onze studie deden we ooit een project over merkbeleving. Een onderdeel daarvan was een telefonische enquête onder willekeurige respondenten (lees: passer en telefoonboek). Het hele idee stond me zo tegen en ik had er zo’n hekel aan om mensen te bellen die helemaal niet gebeld wilden worden, dat ik het zo lang mogelijk uitstelde. Vlak voor de deadline heb ik toen als noodgreep alle resultaten uit mijn duim gezogen. Jasmijn noemde me een aansteller en een saboteur en nog veel meer. En nu, na al die jaren, kan ze eindelijk wraak nemen. Wat zal ze genieten. Ik laat me echter niet kennen en probeer haar kapot te schijnen met mijn glimlach, terwijl ik liefjes antwoord dat ik er direct na de lunch aan zal beginnen.

Zodra ze weg is (triomfantelijk, ja bijna huppelend) blader ik door mijn functieomschrijving om helaas tot de conclusie te komen dat er niets voor of tegen deze taak getuigt, dat het een grijs gebied is en dat ik er dus gewoon aan moet geloven.

*

’s Avonds heb ik een meeting van het dorpscomité. Deze keer weer met de hele club, in de soos, om onze ideeën aan elkaar te presenteren en een laatste afstemming te doen voordat we verdere details gaan uitwerken. Het goede nieuws is dat we goedkeuring hebben om onze ideeën voor de jongerenactiviteiten en de promotie verder uit te werken. Het budget dat we ervoor krijgen moet ruim voldoende zijn, zo fluistert Andrea me dolenthousiast toe van achter haar hand. De groep die over de decoraties gaat heeft besloten om er een thema aan te hangen. Jasses, thema’s. En dan ook nog een váág thema. Ik snap er niets van. We moeten allemaal verkleed komen als een bekend iemand uit de geschiedenis van Avier, of als iemand rond de tijd van de stichting van het dorp. Zo’n 850 jaar geleden dus, compleet met de lokale klederdracht uit die tijd. Wat is dat nu weer voor een thema? Hoeveel bekende mensen zijn er überhaupt in de geschiedenis van ons dorp? Behalve dan de uitvinder van het wentelteefje waarvan niemand weet hoe hij eruitzag, een rare cabaretière met een horrelvoet en een conceptueel kunstenaar die in de verte wel wat weg heeft van Johnny Depp, dat dan weer wel. Maar Robbert is reuze-enthousiast over dit idee en Andrea dus ook. Ik moet Rik gelijk geven: er hangt daar iets in de lucht. Het begint op te vallen dat Andrea lacht om alles wat Robbert zegt. Zelfs als het helemaal geen grapjes zijn. En hij kijkt op zijn beurt na elke zin onopvallend haar kant uit en veegt dan zijn handen af aan zijn ribbroek. Het is een soort tic: hij zegt iets op z’n Robberts (moeilijke woorden, lange zinnen, saai), kijkt naar Andrea en veegt zijn handen af. Telkens opnieuw. Allemaal heel onschuldig, behalve als je het weet dus. Stelletje pubers. Ik gruwel nog steeds bij het idee. Andrea. Robbert. Samen. Maar als ik ernaar vraag ontkent ze het dus: ‘Nee joh. Hij is gewoon aardig en ik kan met hem lachen. Gewoon.’ En dan haalt ze haar schouders op.

Het enige leuke aan de avond is het moment waarop Rik me een samenzweerderige knipoog geeft tijdens het zeventiende moment dat Andrea weer eens iets te luid gniffelt om een niet-grap van Robbert.

OVER IRIS HOUX

Iris Houx is geboren en getogen in Noord-Brabant. In 2010 begon ze met het schrijven van korte verhalen en columns. Ze publiceerde o.a. in Dagblad Metro, TPO Magazine, Viva en Esta en won diverse schrijfwedstrijden. Sinds 2013 is ze vaste columniste van Chicklit.nl, waar ze met haar humor en eigen stijl een grote groep vaste lezers aan zich weet te binden. Scoop! is haar debuutroman.

OVER SCOOP!

In Scoop! neemt schrijfster Iris Houx neemt je mee in de wereld van Esmée Evers. Esmée verhuist naar de grote stad, waar ze een baan krijgt als redactiechef. Althans, dat vertelt ze haar vriendinnen, in werkelijkheid is ze redactieassistente. Haar leugentje is lastig vol te houden als één van haar vriendinnen haar bazin wordt bij hetzelfde magazine. Wanneer een bekende tv-ster noodgedwongen moet onderduiken, krijgt Esmée de kans zichzelf te bewijzen. Ze bedenkt een plan dat niet alleen de media op zijn kop zet, maar ook haar eigen carrière, vriendschappen en relatie...

Gerelateerde onderwerpen