Dit veld is verplicht

Dit veld is verplicht

Nee bedankt

Scoop!

Deel 32: 'Ik gun haar tien minuten,
dan betreed ik de ring'

schrijfster

Iris Houx

V

Vorige week lazen we hoe Esmée en Jasmijn behoorlijk ver gingen om elkaar het leven zuur te maken op kantoor. Hun acties ging van erg naar erger tot ergst. Zouden ze nu dan ondertussen klaar zijn? Of zou het nóg erger kunnen? 

Met een licht gevoel in mijn hoofd zoef ik naar boven. Vlak voor de liftdeuren openen, kneed ik nog wat volume in mijn haren en check ik mijn lipstick in de spiegel. Hij zit perfect en glanst subtiel, een uitstekende kleur bij het rode colbertje dat ik nog ergens achter in mijn kast vond. Toevallig bleek dat weer perfect te passen bij mijn dark washed Replay-jeans en de rode schoenen die ik ooit in de uitverkoop heb gescoord. Een klein kettinkje met een pijl en boog zorgt voor wat extra glamour. 

Ik klik-klak de marmeren vloer op. Mijn ferme passen weerkaatsen in de nog uitgestorven gang. In mijn hoofd galmt ‘The Eye of the Tiger’ van Survivor: Don’t lose your grip on the dreams of the past. You must fight just to keep them alive. Klik-klak, klikkerdeklak. Het refrein zing ik hardop: ‘It’s the eye of the tiger, it’s the cream of the fight. Rising up to the challenge of our rival… Goedemorgen!’ roep ik tegen een verbaasde Hubert, zoals altijd als aller-allereerste op kantoor. ‘… And the last known survivor stalks his prey in the night. And he’s watching us all in the eeeeeeeeye… of the tiger.’ Ai, dat was behoorlijk vals.

Bij mijn werkplek aangekomen gooi ik eerst mijn jas richting kapstok – Ha! Hij blijft hangen! – en daarna slinger ik met veel gevoel voor drama mijn tas op het bureau. Een Mars en een tampon vliegen eruit. De tampon rolt langzaam van het bureau af. Ik buk om hem op te rapen en roep ondertussen een keer ‘Hallo!’ over de afdeling. Niemand reageert, want niemand is er nog. Prima, dan zet ik wel alleen voor mezelf koffie.

*

Als ik van mijn koffie en mijn Mars zit te genieten (niets verslaat een Mars op de nuchtere maag, wanneer de smaakpapillen nog wakker en onbedorven zijn), druppelen mijn collega’s langzaam binnen. Behalve Jasmijn, die komt om kwart over negen pas aankakken. Ik besluit – spontaan ideetje – om een logboek bij te houden. Ik open een leeg Word-document en noteer: 3 november. Jasmijn drie kwartier te laat op kantoor. Je weet nooit waar zoiets goed voor is.

Ik gun haar tien minuten, dan betreed ik de ring.

‘Goedemorgen,’ glimlach ik als ik voor haar sta. Zo te zien is ze naar de kapper geweest, maar ik zeg er niets van. ‘Hoe laat zullen we ons werkoverleg houden?’

‘Hm.’ Ze slikt een slok zelfgezette koffie weg en zonder haar ogen van het beeldscherm te halen zegt ze: ‘Geen werkoverleg vandaag.’

‘Oké, wat je wilt. Jij bent de baas.’ Ik draai me om.

‘Hé, je laat iets vallen.’

Ik kijk verbaasd om en loop terug. ‘Wat is dat nou?’ Ik buk en raap een kaartje op.

‘Is dat het logo van Shoe-a-licious?’ vraagt Jasmijn met plotselinge interesse.

Ik negeer haar vraag. ‘Dit is niet van mij hoor.’ Ik draai het kaartje rond in mijn handen.

‘Ik zag toch dat het uit je jasje viel!’ zegt ze kattig. ‘Geef eens hier!’ Hebberig steekt ze haar hand uit, haar vingers wiebelen ongeduldig.

Als ik het haar gegeven heb, leest ze hardop: ‘Alleen vandaag, drie november van twaalf tot twee, exclusieve supersale van alle bekende merken. Toegang enkel op vertoon van deze uitnodiging.’ Haar ogen worden groot. En zie ik dat nu goed: verschijnen er blosjes op haar wangen? ‘De supersale van Shoe-a-licious? Dat is toch pas volgende week?’

Ik haal mijn schouders op. ‘Hoe moet ik dat weten?’

‘Wacht eens even. Jij dacht toch zeker niet onder werktijd te gaan shoppen, hè?’

‘Nee hoor, ik…’

‘Hoe haal je het in je hoofd!’

O, wat kan ze toch afschuwelijk bitchy zijn als ze ervan overtuigd is dat ze gelijk heeft. Hier had ik ook altijd zo’n hekel aan toen we nog vriendinnen waren.

‘Als je toch niet van plan bent om te gaan, waarom gooi je het dan niet in de prullenbak?’

‘Prima hoor,’ zeg ik kalm. Ik gris het kaartje uit haar handen en gooi het demonstratief in de prullenbak voordat ik met een onderdrukte glimlach haar kantoor uit loop.

*

De ochtend verloopt verder vrij normaal. Jasmijn heeft een bijeenkomst met het socialmediaprojectteam, er komen een paar telefoontjes, ik tik een mailtje naar Andrea over het suffe dorpsfeest, ik eet een zak m&m’s totdat ik er misselijk van ben; eerlijk gezegd heb ik vrij weinig te doen sinds ik mijn functieomschrijving zeer strikt neem. Ik check nog maar eens of ik nieuwe mails heb. Nope. Ik giet de laatste drie m&m’s rechtstreeks vanuit de zak in mijn mond, update mijn Facebookstatus en app Hugo, die deze keer gelukkig ook in een ­apperige bui is en zelfs een selfie stuurt met een kopje koffie. Saai, maar oké, het is een begin.

Rond halftwaalf komt Jasmijn terug. Ik geef haar een paar berichten door die ik heb aangenomen en dan haalt ze haar jas.

‘Esmée, ik heb een externe lunch. Nogal last minute, staat niet in de agenda. Denk dat ik na tweeën pas terug ben. Toedeloe!’ en ze zwiert haar nieuwe lichtblauwe Mulberry over haar schouder.

Ik moet moeite doen om niet in lachen uit te barsten. Ik pak de telefoon en bel Krystel die na een halve rinkel al opneemt.

‘O, help me toch,’ kirt ze dramatisch. ‘Het is zo sáái hier sinds jij hebt besloten dat je geen flauwekulmailtjes meer kunt sturen onder werktijd, of geheimcodetelefoontjes plegen, en je elke pauze precies binnen het halfuur wil houden.’ Ze hapt naar adem. ‘Van pure ellende heb ik net bijna mijn hoofd in een papierversnipperaar gestoken.’

‘Sorry voor je hoofd.’

‘En ik praat in mezelf.’

‘Dat doet mijn moeder ook en ze is er al aardig oud mee geworden,’ antwoord ik. ‘Maar kom, je weet dat het voor een goed doel is.’

‘Inderdaad. Dat is het enige wat me nog op de been houdt: Operatie Eliminatie Jasmijn.’

‘Ik denk alleen dat ik weer slecht nieuws heb,’ zeg ik. ‘Ik bel om onze lunch af te blazen.’ Krystel begint weer te kreunen, maar ik geef haar geen kans. ‘Maar alleen voor vandaag. En als pleister op de wonde heb ik morgen waarschijnlijk een geweldige anekdote,’ voeg ik er geheimzinnig aan toe.

‘Nou vooruit dan. Als je me belooft dat Jasmijn erin voorkomt.’

Ik houd wijselijk mijn mond. In principe zou ik best kunnen gaan lunchen, Jasmijn is voorlopig nog niet terug. Shoe-a-licious ligt ver buiten de stad en het vinden van een parkeerplaats rond dit tijdstip van de dag is daar een nachtmerrie. Alleen de heen- en terugreis kosten haar al minstens een uur, maar met het shoppen op zich zal ze heel wat sneller klaar zijn en ik wil zeker weten dat ik niets mis van hetgeen er hopelijk gaat gebeuren.

Als ik heb opgehangen, gaat de telefoon direct opnieuw over.

‘Moo Moo Media, goedemiddag. U spreekt met Esmée Evers.’

‘Met Morris.’

‘O, hoi Morris, ik zag niet dat het een interne…’

‘Is Jasmijn er?’

‘Nee, helaas. Ze is met pauze.’

‘Dan bel ik over een halfuur nog wel een keer.’

Een halfuur later belt hij opnieuw. En tien minuten later weer. (‘Neemt ze altijd zo’n lange middagpauze?’) En rond kwart over een nog een keer. (‘Zeg, waar hangt ze uit? Ik heb haar echt dringend nodig!’) Ik spreek met hem af dat ik bel zodra Jasmijn weer binnen is.

Om vijf voor halftwee probeert Jasmijn onopvallend haar kantoor binnen te glippen.

‘Hé Jasmijntje!’ roep ik overdreven hard. ‘Hoe was de lunch, interessant?’

Met een ruk draait ze zich om. Ik slaak een gilletje. Haar ogen lijken wel die van een vampier vlak voordat hij in een sappig nekje gaat bijten. Ze werpt een snelle blik om zich heen – er is niemand in de buurt – en sluipt dan op me af. ‘De lunch was heerlijk, dank je.’ Ze wil nog iets zeggen, maar lijkt zich te bedenken.

‘Fijn,’ zeg ik poeslief. ‘Geef het bonnetje maar aan mij, dan voeg ik het bij je andere declaraties.’ Ik houd mijn hand op en wiebel ongeduldig met mijn vingers, een geintje dat we vroeger ook deden. Vroeger. Vorige week. Toen we nog vriendinnen waren. Toen we nog samen konden lachen.

Jasmijn wordt zo rood als mijn Calvin Klein-colbertje.

‘Dat eh… moet ik even gaan zoeken. Misschien ligt het op mijn bureau.’

‘Hoe kan het op je bureau liggen, daar ben je nog niet eens geweest!’

‘Nou, dan eh…’ Ze voelt in haar jaszak. ‘… Moet ik het zijn kwijtgeraakt of zo.’ Opeens bedenkt ze zich. ‘Wacht, nu weet ik het weer. Dom van me. Carice heeft betaald!’ Triomfantelijk kijkt ze me aan.

‘Zo zo. Dus je was met Carice lunchen?’

‘Precies.’

‘Carice die op vakantie is naar Ibiza? Die Carice?’ Ik bluf. Ik heb geen idee waar Carice tegenwoordig uithangt, want ik heb haar al weken niet meer gesproken, maar het effect mag er wezen. Jasmijn verliest haar zelfbeheersing. De vampierenblik keert terug en ze verslikt zich bijna in haar eigen speeksel als ze me met woorden probeert te lynchen.

‘Jij! Jij…!’

‘Wat? Wat is er?’ vraag ik quasi verbaasd. ‘Wat is er gebeurd?’

‘Alsof jij dat niet weet!’ Ze ontploft bijna.

‘Hoezo, waar heb je het over?’ Ik laat een pauze vallen. ‘Wacht eens even.’ Overdreven sla ik mijn hand voor mijn mond. ‘Je bent toch niet naar de Shoe-a-licious geweest, hè?’

Jasmijn geeft geen antwoord, maar haar wijd uitstaande neusgaten spreken boekdelen.

‘Dat kaartje moet van de supersale van vorig jaar zijn geweest. Ik draag dit jasje niet zo vaak, snap je.’ Verontschuldigend haal ik mijn schouders op.

‘Ik snap jou heel goed, Esmée. En ik krijg je nog wel.’ Ze werpt me nog een laatste vampierenblik toe en stampt dan richting haar kantoor, wat een komisch gezicht is op haar naaldhakken. Ze verticuteert bijna de vloerbedekking.

Ik doe er nog een schepje bovenop. Gewoon, omdat het kan. ‘Hoe moet ik nu weten dat jij daarnaartoe zou gaan zeg! Zoiets doe je toch niet onder werktijd?’ roep ik tegen haar rug.

Zodra ze haar deur dicht heeft geknald en ik voor de zekerheid nog even heb gewacht of de ingelijste Go Glam!-covers niet van de muren af komen, pak ik de telefoon.

‘Morris, met Esmée. Jasmijn is terug. Ik verbind je rechtstreeks door. Een momentje alsjeblieft.’

Ik toets Jasmijns nummer in en leg neer. Dan sprint ik naar haar dichte deur.

‘Wát nou?! Wat moet je nu weer? Alsof jij nooit gaat shoppen onder werktijd, schijnheilig kutwijf!’ hoor ik Jasmijn door de muren heen schreeuwen.

Ik prop mijn vuist in mijn mond om het niet uit te gillen van het lachen. Dan druk ik mijn oor tegen de deur.

‘Morris! Sorry, ik dacht dat je…’

‘…’

‘Ja. Nee. Natuurlijk, het zal niet meer gebeuren. Dat beloof ik.’

*

Ondanks mijn uitermate geslaagde wraakactie op Jasmijn lucht het nauwelijks op. Ik baal. Nog steeds. Van alles. Van Jasmijn, van Hugo die ik nu pas morgenavond zie, van het feit dat Jasmijn naar Parijs mag vanwege Jayona. Ja, ook dat. Ze wil niet eens! Het interesseert haar niet eens! Ze kan het niet eens! En zonder dat ze iets wil of vraagt of kan, mag zij erheen. Het is gewoon niet eerlijk.

Wanneer ik zielig, sneu en alleen in mijn giraffe-onesie (nog steeds niet gewassen) een bak noedels naar binnen zit te lepelen, zap ik tot overmaat van ramp ook nog regelrecht in Lief & Leed met de Laseurs. Het is net zoiets als wanneer je op dieet bent en er overal opeens chocolade ligt.

Ik zie hoe Kiona voor de vijfde keer haar bruidsjurk laat innemen (hij is adembenemend mooi, eigenlijk precies zoals ik de mijne zou willen, ooit), hoe ze een horloge van twaalfhonderd euro afrekent voor haar dwergpekinees en hoe ze probeert iets te koken wat resulteert in een soort aangebrande omelet met een groenig papje erbovenop. Ik smul in elk geval van haar leventje.

In de volgende scène flasht ze zogenaamd per ongeluk haar boobs voor een paar bouwvakkers als ze hun iets wil toeschreeuwen door het kiertje van een klemmend badkamerraam dat toch ineens meegeeft en wagenwijd openvliegt.

Jay-Nay op zijn beurt krijgt een ongecontroleerde woedeaanval als zijn bordje Chinees omvalt en maakt daarbij zulke heftige bewegingen met zijn armen en ogen dat ik verwacht dat mensen die op dit moment het programma in zappen zich rot schrikken. Het moet op die mensen overkomen alsof hij een extreme epileptische aanval doormaakt.

Even later lig ik in mijn eentje in een deuk als Kiona zich oprecht afvraagt hoe doven een tent opzetten en ik veeg een traan weg als ze onthult dat ze nog steeds met een teddybeer slaapt en dat slapen haar hobby is, omdat dat het enige moment is waarop ze volledig zichzelf kan zijn. Elk ander moment van haar leven wordt ze achtervolgd door camera’s, zo vertelt ze. Zijn het niet die van de programma’s waarin ze speelt of die van de paparazzi, dan zijn het wel die van haar eigen realityserie.

En dat dus allemaal binnen één aflevering. Wow. Als ik mijn leven al een soap vind, wat is dit dan wel niet? Ergens snap ik dat Andrea verslaafd is aan deze serie. Ik moet er niet te lang naar kijken, want dan ben ik ook verkocht. 

OVER IRIS HOUX

Iris Houx is geboren en getogen in Noord-Brabant. In 2010 begon ze met het schrijven van korte verhalen en columns. Ze publiceerde o.a. in Dagblad Metro, TPO Magazine, Viva en Esta en won diverse schrijfwedstrijden. Sinds 2013 is ze vaste columniste van Chicklit.nl, waar ze met haar humor en eigen stijl een grote groep vaste lezers aan zich weet te binden. Scoop! is haar debuutroman.

OVER SCOOP!

In Scoop! neemt schrijfster Iris Houx neemt je mee in de wereld van Esmée Evers. Esmée verhuist naar de grote stad, waar ze een baan krijgt als redactiechef. Althans, dat vertelt ze haar vriendinnen, in werkelijkheid is ze redactieassistente. Haar leugentje is lastig vol te houden als één van haar vriendinnen haar bazin wordt bij hetzelfde magazine. Wanneer een bekende tv-ster noodgedwongen moet onderduiken, krijgt Esmée de kans zichzelf te bewijzen. Ze bedenkt een plan dat niet alleen de media op zijn kop zet, maar ook haar eigen carrière, vriendschappen en relatie...

Gerelateerde onderwerpen