Open brief

Mijn zoon kreeg elke dag weer
het advies een einde aan zijn leven te maken

journaliste

Marjolein Hurkmans

E

En weer een kind dat er niet langer tegen kon; dat het leven niet meer zag zitten, dat ten onderging aan pestgedrag. Sinds ik gisteren het bericht hoorde, zit mijn keel potdicht. Mijn hart bloedt. Waarom? Waarom liet iedereen dat jongetje en zijn familie alleen staan? Hou toch op met je pestprotocol en richtlijnen. Als de nood aan de man is, is niemand thuis.

‘Nou ja’, zegt de biologiejuf, ‘kijk, het is natuurlijk vervelend allemaal. Ik ga echt wel met die jongens praten. Maar u moet begrijpen, ze hebben het thuis niet gemakkelijk. Dat gedrag komt ergens vandaan. Daar houden we ook rekening mee. Zo’n kind dat pest is ook een beetje een slachtoffer. Lastig, lastig.’

Fiets gesloopt

Ze heeft veertjes in haar oren, groene vogelveertjes. Ze kleuren prima bij haar grote poppenogen. Hoe oud zou ze zijn? Ik schat haar niet ouder dan een jaar of 20. Maar dat kan natuurlijk niet. Je kunt geen biologiedocent zijn op je 20ste. Laat staan mentor van een brugklas. Ze zal we een verdomd goede dagcrème gebruiken. Zo’n school is toch niet gek. Ze zetten toch geen halve puber op zo’n moeilijke positie?

Ze zucht een beetje. Ik vermoed dat ze niet zo’n zin heeft in dit gesprek. Kan ik me wat bij voorstellen. Ik ook niet. Ik had echt liever een kind gehad dat iedere dag vrolijk fluitend naar school ging; dat ik hooguit een keer op gesprek had moeten komen omdat ie weer de hele dag met zijn vrienden aan het kletsen was geweest in plaats van op te letten bij wiskunde.

Maar nee, dat is niet het geval. Tussen het meisje met de vogelveertjes en mij in zit een stuurs jongetje, de blik naar binnen gekeerd. Hij heeft helemaal geen vrienden om mee te kletsen tijdens de les. Hij heeft niemand.

Ja, klasgenoten. Die heeft 'ie wel. En dat zullen we weten ook. Al is het maar doordat zijn fiets iedere dag een stukje verder is gesloopt. Het zadel is bewerkt met messteken, de banden zijn kapot, de ketting is eraf gehaald, er is een slag in het wiel getrapt.

Opgesloten in zijn kamer

God, wat hebben we dat kind op zijn kop gegeven. Toen 'ie weer thuiskwam met een gescheurde rugzak; ‘weet je wel wat die schoolboeken kosten? Wees nou eens wat zuiniger op je spullen.’ Zijn vader plakte luid vloekend voor de zoveelste keer zijn band: ‘Wat doe je toch met die fiets? En hoezo ligt er nou weer een trapper af.’

En dan ging ik er nog een keer overheen: ‘geef eens antwoord, kijk ons eens aan. Hou eens op met dat puberale gedrag. En waar is je jas. Ik blijf geen nieuwe kleren voor je kopen hè…’ In het halve jaar dat hij in de brugklas zat, had hij nauwelijks drie woorden tegen ons gezegd. Zo gauw hij uit school kwam, sloot hij zich op in zijn kamer.

'Maak een einde aan je leven'

En toen op een dag begon hij zomaar heel hard te huilen. Een groot opgeschoten kind, dat niet meer op kon houden met snikken. Alles kwam eruit: ze hadden hem opgesloten in een kamer op school, van zijn fiets getrokken en in de struiken gegooid, hij werd dagelijks uitgescholden.

En het ergste: naar aanleiding van de zelfmoord van een gepest kind eerder dat jaar, kreeg hij iedere dag het advies ook maar een eind aan zijn leven te maken. ‘Want jij bent niks waard. Niemand wil jou. Zelfs je ouders zijn beter af als jij je polsen doorsnijdt.’ En dan maakten ze snijgebaren langs zijn armen: ‘doe het nou maar, dan ben je overal van af.’

Weleens je bloed ijskoud hebben voelen worden in je aderen? Dat voelde ik die middag. Ik keek naar mijn huilende kind en was verlamd. Hoezo dan? Waarom hij? Zelfs nu ik dit schrijf, zeven jaar verder, voel ik nog de ellendige machteloosheid die ik die middag voelde. De paniek, de machteloosheid.

Ik vertrouwde blind op de school. Ze hadden vast wel vaker met dat bijltje gehakt. En er waren protocollen toch? Dit zou opgelost worden. Iemand zou me gaan helpen om aan deze situatie een einde te maken. Alles zou eraan gedaan worden. Ik zat nog diezelfde week bij de mentor aan tafel.

Psycholoog

‘Nou gut’, zei ze terwijl de veertjes in haar oren wiebelden, ‘kijk, het punt is, ik heb met de aanstichter gepraat en hij heeft beterschap beloofd. En ik zei het al: hij heeft het niet gemakkelijk thuis. Zijn ouders liggen in scheiding. En eerlijk gezegd: zijn cijfers zijn nou ook niet om over naar huis te schrijven. Aan het eind van het jaar gaat ie waarschijnlijk toch van school af. Dan is het probleem meteen opgelost.’ Misschien moet u uw zoon ook eens door een psycholoog laten onderzoeken. Hij roept het kennelijk ook op, dat soort gedrag.

Dat halve jaar was te lang. Mijn zoon redde het niet. Hij wilde niet meer naar school, zijn cijfers kelderden. Het enige dat we konden doen was met hem praten, praten en nog eens praten. Hem iedere dag vertellen hoe waardevol hij voor ons was. En een andere school zoeken, want dat we van zijn huidige school niks te verwachten hadden, was wel duidelijk. Hij zat nog geen blauwe maandag op een andere onderwijsinstelling of zijn pestkoppen stonden hem al buiten de poort op te wachten: fiets in de bosjes, armen vol blauwe plekken.

En die ene stevig gebouwde nieuwe klasgenoot die de klojo’s bij de lurven greep en duidelijk maakte dat ze nog maar een keer in de buurt hoefden te komen en hij zou er persoonlijk voor zorgen dat ze de rest van het jaar niet meer konden lopen. De held!

Nooit meer vriendschap

Werden hij en mijn zoon vrienden? Nee, aan vriendschap doet mijn jongste niet meer. Je weet maar nooit wanneer iemand zich tegen je keert. Hij is argwanend geworden. Maar hij praat tegenwoordig wel weer met mensen, hij loopt stage en begint volgend jaar aan een hbo-opleiding.

Ik denk dat de school waarop mijn kind zijn onderwijscarrière is begonnen ook zal zeggen: ‘We hebben er alles aan gedaan. Het was niet onze fout’, net als de school van Tharukshan. De juffrouw met de veertjes schudt waarschijnlijk meewarig het hoofd: ‘het was ook een vreemd jongetje. Ik heb ze naar het Riagg gestuurd, die ouders.’ Ze hebben in ieder geval nooit meer iets van zich laten horen. Geen telefoontje of mailtje: ‘hoe gaat het nu met hem?’ Mochten ze het toch willen weten: het gaat prima. En hij leeft nog.