Dit veld is verplicht

Dit veld is verplicht

Nee bedankt

Scoop!

Deel 2: Hoe een klein leugentje
om bestwil mijn leven verziekte

schrijfster

Iris Houx

V

Vorige week lazen we hoe Esmée met een BN-er in haar kielzog aanklopte bij haar beste vriendin, en het verzoek deze een poosje onderdak te verlenen. In dit hoofdstuk gaan we een aantal weken terug in de tijd. Wat ging eraan vooraf? 

Een aantal weken eerder...

‘Echt. En dan moet je zo’n vrouw daarna ook nog vragen of ze contant of met pin wil betalen, waardeloos gewoon.’ Andrea gooit haar jas over de rieten stoel tegenover me.

Ik laat me achterovervallen in de loungebank en trek mijn benen onder me. Toen ik Andrea belde dat ik haar zo snel mogelijk wilde zien, stelde ze voor om bij Booty’s af te spreken. Op dat moment vond ik alles prima, maar eigenlijk ben ik niet zo dol op dit café met neusbelmensen en appel-kaneeltheedrinkers. Uitgezonderd Andrea natuurlijk.

Andrea is mijn beste vriendin sinds mijn negende, toen ze me redde uit de klauwen van Sabrina, de buurtbitch die op het punt stond me vreselijke dingen aan te doen omdat ik toevallig dezelfde rugzak had als zij. ‘Je mag kiezen,’ had Sabrina geroepen, ‘óf ik sla je in je gezicht óf ik gooi je in de prikkelbosjes.’

Terwijl ik al op het punt stond om ‘Nou ja, doe dan die prikkelbosjes maar’ te stamelen, dook Andrea uit het niets achter me op. Natuurlijk kende ik haar, ze zat een groep hoger dan ik en woonde een paar straten verderop, maar we hadden eigenlijk nooit veel tegen elkaar gezegd. ‘Esmée heeft jou helemaal niks gedaan, dus je blijft mooi met je poten van haar af!’

Rustig stond ze daar, met haar handen in haar zij en haar neus in de wind. Sabrina keek verbaasd, mompelde nog iets zogenaamd dreigends, maar droop snel af. Ik was vol ontzag over zoveel lef en doortastendheid. Andrea had het opgelost zonder te knokken! Vanaf dat moment waren we vriendinnen.

Andrea gaat zitten en neemt een slokje van de thee die ik alvast voor haar heb besteld, de zoetige appel-kaneelgeur dringt mijn neusgaten binnen. Als ze net van haar werk komt, wil ze altijd even stoom afblazen. Ze is bijna klaar met haar studie voor dierenarts en loopt coschappen bij een praktijk in Avier, de gemeente waar we zijn opgegroeid en waar zij nog steeds woont. Het doden van dieren – pardon, sederen heet het geloof ik – is dus ook onderdeel van haar werk.

‘Die vrouw verstond me in eerste instantie niet, zo heftig was ze aan het huilen. Ze wilde haar hond per se mee naar huis nemen, maar ze had geen mandje of doos bij zich, dus stond ze daar tegenover me met dat dode dier in haar armen. Wel in een doek gewikkeld natuurlijk, maar toch.

En huilen zeg, zo hard heb ik het nog nooit meegemaakt. Ik moest haar drie keer vragen hoe ze wilde betalen. Contant. Ze moest haar portemonnee uit haar jaszak halen en daarvoor moest Origami eerst worden overgeheveld van haar armen naar de mijne. En geloof me, “Origami” klinkt schattig, klein en opvouwbaar, maar het ging hier om een obese shar-pei, en dood leek hij nog zwaarder.’

Ik maak begrijpende geluiden. Ik snap het, echt, maar ondertussen zit ik me op te vreten. Op dit moment heb ik heel hard Andrea’s nuchtere kijk nodig op de zaak, mijn zaak. Haar vertrouwde ‘alles komt goed’ moet me geruststellen. Sterker nog: het is het enige wat me gerust kan stellen in deze idiote, bizarre nachtmerrieachtige toestand waarin ik me – eerlijk is eerlijk – zelf heb gewerkt. Daar komt nog bij dat zij, samen met mijn vriend Hugo, de enige is die ervan weet.

Ik laat haar even uitrazen, de helft gaat langs me heen. Voorzichtig neem ik een slok koffie. Fairtrade, zo las ik op de kaart. Hij smaakt nogal bitter.

Terwijl Andrea doorgaat over dode dieren, ontstoken poten, vergiftigde honden en incontinente katten, dwalen mijn gedachten af naar gisteravond. De bijna-doodervaring die ik had in het restaurant met mijn studievriendinnen. De film blijft zich maar afspelen in mijn hoofd, opnieuw en opnieuw, alsof ik hoop dat de afloop een keer anders zal zijn. Gebeurt niet, het wordt alleen maar erger. Elke voorstelling van de film roept nieuwe vragen en problemen op. Zoals de vraag waarom ik zo nodig moest liegen over mijn baan.

Stel je voor, ik zat daar in dat hypermoderne, nieuwe eettentje in de stad met mijn drie studievriendinnen. Er was niets aan de hand. Gezellig bijkletsen, lekker eten en zoals gewoonlijk klagen over ons werk, want dat is ons dingetje: zeuren over onze vervelende bazen, de onnoemelijke werkdruk en de lastige klanten, terwijl we eigenlijk helemaal niets te klagen hebben. Zij tenminste. Jasmijn, Dominique en Mei-Lan hebben alle drie een prachtfunctie met bijbehorend salaris. Ik niet, maar daar weten zij niets van.

Ze denken dat ik een managementfunctie heb bij Moo Moo Media, een van de grootste mediaconcerns van het land. Dat ik bij Moo Moo werk, klopt – om precies te zijn bij glamourgossipglossy Go Glam! Alleen ben ik daar redactie-assistente, en voor een maandsalaris waarvan je hooguit het hengsel van een Birkin bag kunt betalen.

Toen het hoofdgerecht werd geserveerd en het werkgejammer inmiddels over zijn hoogtepunt heen was, legde Jasmijn haar bestek neer en pakte het medaillon vast dat ze om haar nek draagt en waarmee ze altijd speelt als ze iets belangrijks wil vertellen. ‘Precies, en dat is dus waarom ik vorige week heb gesolliciteerd op een andere baan, ook een managementfunctie, maar dan bij Moo Moo Media. Het is natuurlijk...’ De rest hoorde ik niet meer.

Ik schoot overeind, verslikte me in mijn wijn en werd weer tot leven gewekt door Mei-Lan die ferm op mijn rug begon te kloppen, terwijl Jasmijn ondertussen enthousiast doorging over de functie-inhoud, de belangrijke mensen die ze er zou ontmoeten en natuurlijk het salaris met alle extra’s die erbij hoorden. Ze had wat? wat?! Had ik dat goed verstaan? Mijn hart bonkte in mijn keel en al mijn zweetklieren sprongen gelijktijdig open. O, fok. Ik was er zó bij.

Mei-Lan, die naast me zat, boog voorover om me aan te kunnen kijken: ‘Esmée, is dat niet hetzelfde bedrijf waar jij voor werkt?’ Nu keken ze alle drie mijn kant uit.

Ik slikte. Langzaam kwam ik weer bij mijn positieven. ‘Yep. En sorry, welk tijdschrift zei je?’ Ik keek naar Jasmijn die zich naar mij draaide:

‘De Go Glam! Leuk, hè? Dan worden we misschien collega’s!’

Ook dat nog dus. Ik produceerde iets wat op een lach moest lijken, maar The Joker zou er jaloers op zijn geweest. Dit kon niet waar zijn, dit mocht niet waar zijn.

Ik staar in mijn vieze koffie en roer er een poosje doelloos in rond, terwijl ik ondertussen mijn best doe om terug te keren naar de werkelijkheid. Als Andrea eindelijk klaar is met het verhaal over haar werk open ik mijn mond om van wal te steken, maar ze is me voor.

‘Leuk mutsje. Nieuw?’ Ze knikt naar mijn hoofd.

Ik voel er even aan. Een groot gehaakt geval met reggaekleuren. Noodgevalletje. Ik kuch. ‘O, dat. Eh... dank je.’ De muts. Lang verhaal. Ook het gevolg van een leugentje om bestwil.

‘Je vond hem zo leuk dat je hem meteen al op je net geknipte haar zette?’ Andrea kijkt me geamuseerd aan. ‘Kom op, laat eens zien!’

Ik heb meteen spijt dat ik Andrea heb geappt dat ik naar de kapper ging. Als ze het niet had geweten, was het haar nooit opgevallen. Ietwat geïrriteerd trek ik de muts van mijn hoofd, wetende dat ik er toch niet onderuit kom. Mijn halflange haar valt op mijn schouders. Ik kijk haar glimlachend aan: laten we dit snel afhandelen. Misschien ziet ze niets. Misschien valt het allemaal wel mee. Misschien was het gewoon toeval dat alle collega-kapsters hun werk stillegden om mijn haar te komen bestuderen alsof er een zeldzame vintage Chaneltas in begraven lag.

Het blijft stil. Ongeduldig draai ik het mutsje rond in mijn handen.

‘Het is niet helemaal geworden zoals ik in gedachten had,’ zeg ik.

‘Esmée, honnepon. Dit is...’ Ik hoop dat ze nu opeens gaat lachen en zegt: prachtig! Maar nee. Ze leunt nog wat verder voorover. ‘... groen.’

Zie je wel, het is echt groen. Niet een klein beetje, niet een lichte schijn die na een wasbeurtje wel verdwijnt. Als zelfs Andrea het ziet, is het hartstikke broccoligroen.       

‘Heb je dat gezien?’ vraagt ze.

‘Jezus, Dré. Natuurlijk heb ik dat gezien! De kapper had ook een spiegel.’ Ik zeg het onaardiger dan ik bedoel, maar ik word een beetje ongeduldig. Kan mij dat haar schelen! Ik had niet gedacht dat ik dat ooit nog eens zou denken, maar het is waar. Mijn leven bestaat momenteel uit zoveel meer dan alleen haar.

Andrea negeert mijn sneer. ‘Je gaat er toch wel mee terug, hè?’

Kijk, dat is nu het verschil tussen Andrea en mij. Zij zou vriendelijk maar resoluut zeggen dat ze niet tevreden is en dat ze het erg op prijs zou stellen als de kapper het op eigen kosten zou herstellen. Ik niet. Los van het feit dat het in dit geval geheel mijn eigen schuld was, heb ik daar ook op andere, meer terechte momenten nooit de ballen voor.

Ik ben altijd bang dat ze gaan schelden, me niet meer aardig vinden, me door het slijk gaan halen op Facebook of wat dan ook, allemaal problemen. Soms is het echt makkelijker om je mond te houden. Ik snap niet dat Andrea dat niet snapt. Ook Hugo gaat daar trouwens altijd zo over door. ‘Van je afbijten’ noemt hij het.

‘Nou...’ Ik draai het mutsje nog steeds rond in mijn handen. ‘Niet dus. Waarom niet?’ Ze kijkt me streng aan.

‘De kapster kon er niets aan doen.’

‘Hoezo niet? Had ze haar bril niet op? Haar diploma gratis bij een pak macaroni gekregen?’

Oh my god, waarom praat Andrea zo hard? In een poging haar volume naar beneden te brengen, begin ik te fluisteren. ‘Het was verf over verf, het is altijd wat onvoorspelbaar hoe dat uitpakt. Oké?’ ‘Zei ze dat?’ Andrea praat nog steeds hard en kijkt me aan alsof ik een ezel ben die zojuist kukeleku heeft gekraaid.

‘Eh... nee. Dat zeg ik.’ Ik kan niet liegen tegen Andrea. Vroeg of laat verspreek ik me toch een keer, zo gaat dat altijd. Ik zucht. ‘Ze vroeg of ik het zelf geverfd had. Ik zei van niet, want ik durfde niet te zeggen dat ik er zelf mee had zitten klooien.

Karin, mijn kapster, heeft vaak verhalen over zielige stumperds die met Kruidvatverfjes zijn gaan knutselen, zoals zij dat noemt, en die als het mislukt met hangende pootjes bij haar aankomen om het te laten fatsoeneren en zo.’ Monotoon zeg ik het op. Ik heb het verhaal al zo vaak gehoord dat ik zelfs de bijbehorende gezichtsuitdrukking van Karin voor me zie.

Andrea glimlacht.

‘En dan rolt ze met haar ogen en dan zucht ze heel vaak en ondertussen zegt ze de hele tijd “tss tss”,’ vul ik verontwaardigd aan. ‘Zo iemand wil ik dus niet zijn, snap je?’ Ik gooi het mutsje op tafel.

‘Aha.’ Andrea lacht nu breeduit. ‘Aha.’ Ze vouwt haar handen achter haar hoofd.

‘Wat nou “aha”?’ doe ik haar na. ‘Gewoon een leugentje om bestwil. Dat doet iedereen toch wel eens? Toevallig pakte het een beetje verkeerd uit.’ Echt, Andrea is een topvriendin, maar soms zou ik willen dat ze iets minder zelfvoldaan was in dit soort situaties.

Ik pak het ding van tafel en zet het weer op mijn hoofd. Zo goed en zo kwaad als het gaat prop ik mijn haar eronder.

‘Maar Dré, luister eens,’ gooi ik het over een andere boeg. ‘Die toestand met mijn haar verbleekt bij het andere probleem waar ik het met je over wil hebben.’

Kijk. Nu heb ik Andrea’s aandacht. Ze zet haar inmiddels lege mok op tafel en leunt voorover.

‘Jasmijn heeft bij Moo Moo gesolliciteerd en ze heeft mijn functie gekregen.’ Ik gooi het eruit alsof ik een smerig snoepje uitspuug.

‘Wow! Ho, ho, ho.’ Ze kijkt me met grote ogen aan en maakt een stopgebaar met haar hand. ‘Wacht, jouw functie? Hoe kan dat allemaal? En waar ga jij dan heen?’

‘Ik ga nergens heen, dat is het nu net. Weet je nog dat bij mijn aanstelling was beloofd dat ik na drie maanden kon doorstromen naar de functie van Valerie? Valerie was een interim die weer zou vertrekken, zoals interims altijd doen. Ze zou me even inwerken, de kneepjes van het vak bijbrengen en daarna zou ik zó’ – ik maak een gebaar alsof ik soepel weg ski – ‘haar functie overnemen.’

‘Ja, tuurlijk. Dat was de enige reden waarom je die functie aannam.’

‘Precies. En nu hebben ze blijkbaar toch een vacature uitgezet voor Valeries baan. Jasmijn heeft gesolliciteerd en voordat ik nog iets kon doen, was ze al aangenomen. Zomaar. Pats-boem. Vanmiddag.’ Ik zucht gefrustreerd. ‘Het moet allemaal heel snel zijn gegaan. Gisteren zei Jasmijn nog niets over een gesprek en vandaag was alles ineens beklonken. Valerie had me gevraagd twee koffie te brengen. Ik kwam daar dus nietsvermoedend binnen met mijn dienblaadje en raad eens, wie zat daar? Precies, Jasmijn! Blije, glunderende Jasmijn. Waarom? Omdat ze net te horen had gekregen dat ze die fokking baan had! Míjn baan!’

Natuurlijk, Jasmijn is mijn vriendin. Ik gun haar alles: geluk, liefde, die kledingkast propvol merkkleding en een prachtige baan. Maar waarom moest dat nou net míjn baan zijn? De baan die mij was beloofd en die al een keer eerder was uitgesteld, omdat interim-redactiechef Valerie om wat voor reden dan ook toch nog een paar maanden langer aanbleef? Waarom wist ik niet dat er een vacature was uitgezet? Wat was er gebeurd met de belofte aan mij? En bijna net zo belangrijk: hoe ging ik ooit aan Jasmijn en de andere meiden vertellen dat ik gelogen had over mijn functie?

Dat ik mijn functie een beetje opgewaardeerd had tegenover mijn studievriendinnen wist Andrea al en uiteraard keurde ze dat sterk af, wat ik nogal overdreven vond, maar hallo! Alsof ik ooit kon bedenken dat Jasmijn bij Moo Moo zou solliciteren, dat ze mijn functie zou krijgen, dat ze zelfs mijn baas zou worden en... mijn fairtradekoffie komt omhoog.

Als Andrea niets zegt en me alleen maar aanstaart met grote ogen tier ik nog even verder: ‘En dan die smoel van Valerie toen ze het me vertelde. Ik zweer je, zij tilt triomf naar een nieuw level.’ Ik trek mijn gezicht in een overwinnaarsplooi zoals Valerie vanmiddag deed en doe haar na: ‘“Mag ik je voorstellen aan je nieuwe collega, mevrouw Wetzers.” Bah! Kots! Kotserdekots! Überkots!’

Het is nu zaak snel uit te zoeken in hoeverre Jasmijn op de hoogte is. Zouden collega’s al met naam en functie genoemd zijn in het sollicitatiegesprek? Nee toch? Zoiets komt waarschijnlijk pas ter sprake tijdens de inwerkperiode. Valerie had het over ‘collega’, ik weet het zeker. ‘Mag ik je voorstellen aan je nieuwe collega,’ zei ze. Geen baas, geen leidinggevende. Collega noemde ze me.

Dus met een beetje mazzel weet Jasmijn nog niets. Nu alleen een elegante oplossing verzinnen om heel snel en geloofwaardig van redactiechef naar afdelingsassistente te gaan, zonder gezichtsverlies. Het is vast doodsimpel, ik moet het alleen nog even bedenken. Of Andrea. Ik kijk haar aan, wanhopig, met ogen die smeken om geruststelling.

Maar Andrea pikt de hint niet op. Ze kijkt net zo wanhopig terug: ‘Djiezus Esmée, dat is mooi klote.’

Geweldig. Als zelfs Andrea het klote vindt, ben ik ten dode opgeschreven. Andrea is juist degene die me altijd kan geruststellen. Als een drug is zij het eerste waarnaar ik grijp als er iets misloopt in mijn leven. En ook als het goed gaat natuurlijk, voor de broodnodige relativering, zeg maar. Welke opties heb ik? Ontslag nemen, onderduiken, naar het buitenland verhuizen en voor de zekerheid nog het aannemen van een andere identiteit, complete plastische chirurgie of een aanmelding bij het vreemdelingenlegioen?

‘En wat gaat er nu dan met jou gebeuren?’ vraagt Andrea.

Ik haal mijn schouders op. ‘Nou, ik zal dan wel gewoon redactieassistente blijven, hè. Voor de rest van mijn levensdagen.’ Ik veer overeind. Nu ik het hardop uitspreek dringt het weer tot me door. ‘En weet je wat dat betekent?’

‘Dat je doodgaat van verveling?’

‘Dat ook, maar voordat ik sterf word ik eerst nog een tijdje gemarteld. Langzaam, vernederend, pijnlijk. Want heb jij enig idee wat het betekent als Jasmijn de functie van Valerie krijgt?’ herhaal ik.

Ze slaat haar hand voor haar mond. Ik zie hoe het langzaam tot Andrea doordringt. ‘Nondeju! Jasmijn wordt je bazin! Je eigen vriendin wordt je bazin.’

Het is de bittere waarheid en Andrea kan er ook niets aan doen, maar haar geschoktheid wrijft alleen nog maar meer zout in mijn wond. Ik word Jasmijns assistente. Haar hulpje, haar slaafje.

Andrea laat haar hand weer zakken. ‘Weet Jasmijn dat al?’

‘Nee. Dat is nog het ergste van alles. Ik voel me zó ongelofelijk stom. Echt, Dré. Waarom heb ik dit laten gebeuren? Hier moet toch een eenvoudige oplossing voor zijn? Iets doodsimpels waarvan je achteraf denkt: jee, dat ik dat niet eerder heb bedacht!’

‘Simpel.’ Andrea trekt haar vest recht, gaat verzitten en kijkt me doordringend aan. Ik ken deze blik. Dit is de blik die ik nodig heb. Andrea staat in de oplossingsstand, haar favoriete en meest bekwame standje. Het komt goed, alles komt goed. Let op.

‘Je moet zo snel mogelijk naar je baas om die baan te claimen. Het was jou beloofd. Simpel.’

Eh... Simpel. Simpel? Het klinkt altijd simpel als Andrea het zegt.

Andrea bestudeert mijn gezicht. ‘Je weet toch zeker dat dit de afspraak was, hè? Honderd procent?’

Ik denk terug aan het sollicitatiegesprek dat ik destijds had met dezelfde man die vanmorgen met een uitgestreken gezicht in Valeries kantoor zat om de aan mij beloofde functie weg te geven aan Jasmijn: hoofdredacteur Morris van Zanten, de gladde glijer met zijn hoogwater krijtstreepbroekjes. We zaten in het kantoor van Gert, de personeelsfunctionaris, die er ook bij was. Het kantoor was een nicotinehol.

Hoewel ik Gert altijd buiten zie paffen, ademde alles rook uit. De muren, zijn kleren, de meubels, alles. En ook Gert zelf was pure nicotine. Telkens als hij begon te praten, moest ik moeite doen om niet naar zijn donkere tanden te staren die eruitzagen als scheve grafzerken op een verlaten kerkhof.

Om mijn gedachten daarvan af te leiden, lette ik extra goed op wat hij zei: Valerie was slechts een interim en zou binnen drie maanden weer vertrekken en dan was de functie voor mij. Geen twijfel mogelijk, dat was wat hij zei. Morris, die nonchalant voorovergebogen in een fauteuil in de hoek van het kantoor zat, knikte daar heftig bij. Ik herinner me zijn dikke, glimmende, achterovergekamde haar dat daar gewoon bij in het gelid bleef. Goede gel.

 ‘Ja. Zeker weten dat we dit afgesproken hadden, maar daar heb ik nu niet zoveel aan, hè?’

‘Hoezo?’ Andrea kijkt me strijdlustig aan. Ik ken die blik. Die had ze ook toen ze op haar twaalfde aankondigde dat ze dierenarts ging worden, terwijl ik en Sascha, haar buurmeisje waar we toen veel mee omgingen, nog verkeerden in de fase ‘ik word later fotomodel/hondentrimster/olympisch kampioen snowboarden’. Sascha is trouwens inderdaad hondentrimster geworden.

‘Je doet net alsof het een voldongen feit is!’ roept Andrea uit. Ze begint het koekje uit te pakken dat op haar schoteltje ligt. ‘Jij laat ook alles zo gemakkelijk over je heen komen, Es. Doe eens iets. Onderneem actie. If you don’t fight for what you love, don’t cry for what you lose.’ Ze pauzeert even zodat die diepzinnige quote op me in kan werken. Het koekje verdwijnt in zijn geheel in haar mond.

‘En dan? Hoe gaat dat mij helpen? “O, sorry Esmée, we waren je helemaal vergeten. Tuurlijk krijg jij de functie. Kom, we bellen Jasmijn even dat het allemaal niet doorgaat. Afspraak is afspraak. Wat stom van ons, hier een bosje bloemen en veel succes met je nieuwe functie, hè?” Zoiets?’

Andrea geeft geen antwoord.

Ik zet mijn mok met inmiddels koude koffie op het glazen tafeltje. Geef mij maar Douwe Egberts. ‘Misschien ben ik gewoon niet goed genoeg en durven ze me dat niet te vertellen?’ Het is een gedachte die sinds vanochtend al een paar keer bij me is opgekomen en die me niet meer loslaat.

‘Kom op zeg! Hoe vaak heeft Valerie jou wel niet complete campagneplannen laten uitdenken? En al die gelikte presentaties die jij voor haar maakt, die zij alleen nog maar hoeft op te lezen voor een zaaltje mensen die allemaal denken dat ze het zelf heeft bedacht?’ Andrea slikt het laatste restje van haar koekje door. ‘Trouwens, hoe weten zij dat je niet goed genoeg bent voor een functie die je nog niet eens hebt? Daar zullen ze je toch eerst voor moeten promoveren.’

Ik kijk haar zwijgend aan. Het klinkt altijd zo simpel als Andrea het zegt, zo uitermate logisch dat je aan je eigen verstand begint te twijfelen.

Ik laat mijn gedachten gaan over de afgelopen maanden. Zes helse maanden waarin ik de persoonlijke huisslaaf van Valerie was, haar boksbal, haar nar. Er zijn meerdere collega’s voor wie ik werk – om precies te zijn een hele afdeling waaronder nog twee andere redactiechefs – maar Valerie eist verreweg de meeste aandacht op.

Valerie gedraagt zich altijd alsof ze de koningin is. Ze behandelt me als een veredelde stagiaire in plaats van haar toekomstige opvolgster. Dat is ook de enige reden waarom ik niet protesteer, want hoe dichter ik op haar werk, hoe beter ik haar kan gadeslaan, kan zien wat er zoal speelt en hoe ze problemen oplost.

Tot nu toe heb ik daar al twee belangrijke dingen van geleerd. Ten eerste: veel scoops dienen zichzelf aan. (Je staat er versteld van hoeveel BN’ers of managers van BN’ers bellen met een zogenaamde roddel die ze vervolgens een week later in een ander blad weer glashard ontkennen. Alles om hun inkakkende carrière even in de schijnwerpers te zetten, want het klopt wat ze zeggen: slecht nieuws is ook nieuws.)

En ten tweede: leidinggeven betekent vooral dat je een paar hardwerkende redacteuren om je heen verzamelt die je ideeën laat aandragen. Je pikt het beste idee eruit en dat presenteer je vervolgens als een idee van jezelf. Dat niemand ooit protesteert, komt vooral omdat iedereen in zijn broek piest voor Valerie. Haar blik is dodelijk, haar tong ziekmakend en ze is listig als een slang. Je kunt weinig tegen haar beginnen zonder medewerking van Morris, maar aan hem hebben we al net zo weinig. Formeel is hij de baas en daar is alles mee gezegd. Hij managet wat hier en daar, vooral op aanwijzingen van hogerhand en verder is hij vrijwel onzichtbaar.

Op maandag zit hij de redactievergadering voor, meestal half verscholen achter zijn iPad, en aan het einde van de week keurt hij onze nieuwste editie goed, wat in de praktijk ook neerkomt op een formaliteitje. We moeten het dus doen met Valse Valerie.

Ik denk aan alle keren dat ze aan de haal ging met mijn geweldige ideeën. De vernederingen. Zoals tijdens mijn eerste werkdag, toen ze me met een collectebus langs alle afdelingen stuurde om geld op te halen voor een collega met de ‘ziekte van Rupke’. (Zeg nu zelf, dat klinkt toch als een bestaande ziekte?) De 131 kopjes koffie die ik voor haar heb gezet (en waarin ik slechts één keer heb gespuugd, toen ik echt over de zeik was omdat ze mijn nieuwe rode laarsjes had afgedaan als ‘een beetje net niet’).

Ik weet het aantal zo precies, omdat ik ze heb geturfd. Als een gedeprimeerde, maar hoopvolle gevangene heb ik elk kopje dampende haat ingekerfd in de rand van mijn bureaublad. En nu is dat dus allemaal voor niets geweest?

Ik zucht diep en kijk Andrea weer aan. ‘Oké dan.’

Ze knikt me bemoedigend toe, trots bijna. ‘Alles komt goed. Echt.’

Aflevering 3 van Scoop! lees je volgende week zondag om 15:00u stipt.

Over Iris Houx

Iris Houx is geboren en getogen in Noord-Brabant. In 2010 begon ze met het schrijven van korte verhalen en columns. Ze publiceerde o.a. in Dagblad Metro, TPO Magazine, Viva en Esta en won diverse schrijfwedstrijden. Sinds 2013 is ze vaste columniste van Chicklit.nl, waar ze met haar humor en eigen stijl een grote groep vaste lezers aan zich weet te binden. Scoop! is haar debuutroman.

OVER SCOOP

Schrijfster Iris Houx neemt je mee in de wereld van Esmée Evers. Esmée verhuist naar de grote stad, waar ze een baan krijgt als redactiechef. Althans, dat vertelt ze haar vriendinnen, in werkelijkheid is ze redactieassistente. Haar leugentje is lastig vol te houden als één van haar vriendinnen haar bazin wordt bij hetzelfde magazine. Wanneer een bekende tv-ster noodgedwongen moet onderduiken, krijgt Esmée de kans zichzelf te bewijzen. Ze bedenkt een plan dat niet alleen de media op zijn kop zet, maar ook haar eigen carrière, vriendschappen en relatie...

Gerelateerde onderwerpen