Dit veld is verplicht

Dit veld is verplicht

Nee bedankt

Scoop van Iris Houx
Scoop!

Deel 5: De mysterieuze man
die niet zo mysterieus bleek

schrijfster

Iris Houx

V

Vorige week lazen we hoe Esmée dapper besloot te accepteren dat haar droombaan voorlopig nog niet binnen bereik is. Beste vriendin Andrea vond dat Esmée afleiding nodig had en sleepte haar mee naar... Ja, waarheen eigenlijk?

Met stijgende verbazing kijk ik rond in het schemerige dorpszaaltje. Een afgesleten houten vloer, een verschoten systeemplafond met lekkagevlekken. Tegen de wanden hangen vergeelde filmposters uit de jaren tachtig. Het is best mogelijk dat deze er tien jaar geleden, toen ik hier zo’n beetje voor het laatst ben geweest, ook al hingen. Ik kan het me niet herinneren. In een gehucht als Avier is zo’n gebouw multifunctioneel. Het is de thuisbasis van de heemkundekring en de toneelvereniging, op zaterdag wordt het gebruikt door de scouting en op zondagochtend is de ruimte gereserveerd voor een dienst van de baptistengemeente.

Ik had het kunnen weten. Natuurlijk was Andrea niet van plan om te gaan shoppen. Ik kijk opzij. Ze heeft een H&M broek aan – wat al een hele prestatie is – afgetrapte laarsjes en een poncho. Een poncho, godbetert. Het wordt nooit wat met haar. Maar waarom dacht ze dat dit iets voor mij zou zijn, dat het me afleiding zou bieden?

Toen ze haar auto parkeerde op het ongeasfalteerde stukje land dat daarvoor bestemd is aan de zijkant van het gebouwtje, vertelde Andrea me eindelijk wat we hier doen. Iets met een vrijwilligersklusje voor het dorpsfeest of zo. Feitelijk kon ik toen al nergens meer heen. Mijn gedachten even afleiden van al het gezeik op mijn werk: echt, hartverwarmend. Toch kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat hier een vleugje eigenbelang in het spel is. Andrea is dol op dit soort kleindorpse kneuterigheid. Braderieën, collectes, koekjes bakken voor het dierenasiel. En ik geef toe: vroeger, toen ik hier nog woonde, deed ik er ook aan mee. Maar dat was meer omdat hier weinig anders te beleven was. Als vijftienjarige lag het hoogtepunt van de week op vrijdagavond, dan was de bibliotheek maar liefst tot negen uur open. Negen uur! En op zaterdagmiddag vermaakten we ons met mensen kijken op het enige bankje dat het dorpspleintje rijk was, met als snack een zak dropjes. Het scheelt een hoop dat we gewoon niet beter wisten. Als vertier grepen we alles aan. Zo hebben Andrea en ik ooit gecollecteerd voor het Leprafonds. Ik zal het nooit vergeten, omdat we bij bijna elke deur moesten uitleggen wat lepra precies was. Ik kreeg er op een gegeven moment zo de schijt van dat ik botweg antwoordde: ‘Dat is een heel erge ziekte waarbij al je ledematen langzaam wegrotten, oké?’ Niets van gelogen natuurlijk, maar mensen werden óf heel boos en smeten de deur dicht, óf ze maakten me uit voor leugenaar en smeten dan de deur dicht. Het jaar daarna collecteerde ik voor de midzomerparade met het idee dat dit een stuk minder van mijn uitlegvaardigheden zou vergen, maar echt, daar kun je je in vergissen. Zo was er die dove man die op mijn verzoek om geld voor de midzomerparade, antwoordde: ‘Nee, ik vreet geen salade!’ En ik maar herhalen: ‘Nee-hee, geen salade. Geld, voor de midzomerparade.’ En hij weer: ‘Zeg ik toch: ik vreet geen salade!’ Tot drie keer toe! Dat werkte dusdanig op mijn irritatiespieren dat ik uiteindelijk moedeloos omdraaide en over mijn schouder riep: ‘Ach, rot toch op met je salade.’ Waarop die ouwe gek me nariep: ‘En jij met je midzomerparade!’

*

Andrea sluit de deur achter ons en we schuifelen verder naar binnen.

Een man met vlassig blond haar en een bril in een niet al te hip model komt op ons af. Ik schat hem begin dertig. Zoals zoveel mensen uit het dorp ken ik hem wel van zien, niet van naam. ‘Wees welkom dames. Jullie komen voor de bijeenkomst van het comité ter viering van het 850-jarig bestaan van ons prachtige dorp?’ Hij maakt een traag en weids armgebaar, waarbij hij ons met een tevreden glimlach aankijkt.

Ik heb de neiging Andrea aan te stoten en flauw te gaan lachen.

‘Dat klopt,’ antwoordt Andrea serieus. ‘We zijn wat vroeg. Kunnen we ergens mee helpen?’

Robbert, zoals hij zich voorstelt, wijst naar de bruine stoelen van hard plastic die opgestapeld staan tegen de wand. ‘Misschien willen jullie de stoelen alvast in een kring zetten. De andere vrijwilligers kunnen elk moment arriveren.’

‘Arriveren,’ bauw ik hem na als hij buiten gehoorsafstand is. ‘Tss.’

Andrea reageert niet. Ze begint richting de stoelen te lopen. Zelf heb ik weinig zin om in actie te komen, behalve dan om heel hard naar buiten te rennen. Maar Andrea komt al teruglopen met twee stoelen.

‘Ik ben echt benieuwd.’ Haar ogen stralen. ‘Dit kan een heel leuk project worden.’ Het ergste is dat ze het nog meent ook.

Ik grijp haar bij haar arm. ‘Kom, we gaan. Dit was een slecht idee, een héél slecht idee. Het slechtste idee dat je ooit hebt gehad.’ Ik wacht tot ze me aankijkt: ‘Nog slechter dan die keer dat je besloot dat we moesten spijbelen om naar een concert van Boyz4Girlz te gaan, terwijl we niet eens kaartjes hadden.’

Andrea kijkt me even geïrriteerd aan – dit is een gevoelige plek – maar begint dan weer richting de wand te lopen.

Ik probeer haar te beletten een stoel van de stapel te pakken. ‘We gaan dit toch niet echt doen, hè?’

‘Hoezo? Jij was toch even helemaal klaar met al dat gedoe op je werk?’ Ze maakt een quotegebaar in de lucht, hoewel ik me afvraag of ik dat letterlijk zo gezegd heb. Ik zou eerder het woord ‘gezeik’ gebruiken, maar goed.

‘Ik haal je even weg uit je omgeving zodat je je gedachten op iets anders kunt richten. Een leuk project dat, zo zal je straks horen, ook heel uitdagende kanten heeft die tegemoetkomen aan jouw ambities. En daarnaast doe je ook nog iets moois voor de gemeenschap. Wat wil je nog meer?’

Ik geef geen antwoord.

‘Of wil je liever blijven mokken over je mislukte promotie, terwijl je nauwelijks moeite doet er iets aan te veranderen?’

Oké. Die zit. En eerlijk gezegd heb ik ook even geen argumenten meer. Ik haal mijn schouders op. Ik zit deze bijeenkomst wel uit en dan verzin ik de volgende keer een smoesje. Te druk met werk of zo.

*

Langzaam druppelen er mensen binnen. Eerst een vrouw van een jaar of veertig met lang, loshangend haar en een lief gezicht. Ze heeft een glimlach die erop gebeiteld lijkt, alsof ze elke ochtend zo wakker wordt en nooit boos is. Om haar smalle heupen hangt een gebatikte rok, zo eentje die mijn moeder vroeger ook had. Toen vond ik het een van haar mooiste kledingstukken. Nu ziet het er vooral gedateerd uit. Na haar komen er twee mannen binnen, een oude en een jongere. De eerste ken ik, hij zat altijd achter het loket bij het zwembad en hij heeft een zenuwtrekje bij zijn oog. De jongere man zou zijn zoon kunnen zijn, maar dan zonder trekkend oog. Ik schat hem van mijn leeftijd. Hij heeft een ordner onder zijn arm geklemd die waarschijnlijk ooit wit was, maar nu lichtgeel.

Eigenlijk had ik mijn haar best groen kunnen laten. Het had perfect gepast in deze setting, tussen deze mensen. Oké, ik kreeg op een gegeven moment wel echt jeuk van die muts en ik had visioenen dat mensen me omdoopten tot ‘het mutsmeisje’, maar dat was nergens voor nodig. Niet voor vandaag, in elk geval.

Robbert klapt een keer flink in zijn handen en geeft aan dat we in de kring mogen plaatsnemen. Nou, nou. Zuchtend laat ik me neervallen op een stoel naast Andrea, die me tevreden toeknikt. Als een moeder die blij is dat haar kind toch besloten heeft om haar verstandige advies op te volgen.

We beginnen aan een voorstelronde. Hier heb ik dus echt een hekel aan. Ik weet nooit wat ik over mezelf moet vertellen. En doordat ik zo druk bezig ben iets te bedenken, hoor ik nooit wat anderen vertellen. Met een half oor luister ik naar Robbert die als eerste het woord neemt (uiteraard). Hij is breedsprakig en langdradig. De geschiedenis van de gemeente Avier komt uitgebreid aan bod, ingekleurd met de meest zinloze details. Toch knap dat je zo lang kunt lullen over een dorp met 1.869 inwoners. De grap die rondgaat is dat het Avier heet omdat het hele dorp op een A4’tje paste. Dat is wat overdreven, maar klein is het wel. Zeker als je bedenkt dat het ook nog eens uit drie deelgemeenten bestaat: Groot Avier, Klein Avier en de kleinste, waar Andrea en ik vandaan komen: Avier Achterbeek.

Dan volgt er ook nog een uiteenzetting over de doelstellingen van het comité, het budget enzovoorts. Ik zak wat verder onderuit. Robbert laat geen mogelijkheid onbenut om zijn warme banden met de burgemeester aan te halen en benadrukt het vertrouwen dat die in hem heeft gesteld ‘om van deze bijzondere en gedenkwaardige mijlpaal een luisterrijk evenement te maken…’ en bladie-bladie-poehahee. Andrea’s argument om ‘even mijn gedachten af te leiden van het werk’ werkt nog niet echt.

*

Net als ik mijn best doe om te luisteren naar het verhaal van de vrouw met de gebatikte rok – Irma, 42 jaar, moeder van twee dochters, hobby’s: scrapbooking en cupcakes bakken – gaat opeens de buitendeur open. Irma staakt haar verhaal en iedereen kijkt naar de deur. Ook ik draai me om. Een vlaag frisse herfstlucht waait naar binnen, samen met een lange man. Ik schat hem midden twintig, voor zover ik dat van hieraf kan zien. Hij heeft een hoody aan waarvan hij de capuchon ver over zijn hoofd heeft getrokken. Een paar krullen van iets wat een flinke bos bruin haar moet zijn, piepen eronderuit. Zijn donkere ogen, net zichtbaar, roepen een vage herkenning bij me op. Ik draai me weer terug om. Hij zal wel verkeerd zitten. Zijn verschijning komt totaal niet overeen met de gemiddelde dorpscomitévrijwilliger in deze kring. En welke twintiger – behalve Andrea – doet nu vrijwillig mee aan het organiseren van een suf dorpsfeest?

Dat heb ik mis.

‘Ik kom voor de organisatie van het dorpsfeest,’ hoor ik hem achter me zeggen met een warme, ietwat diepe stem.

Robbert bevestigt omstandig dat hij hier dan aan het juiste adres is en wijst vriendelijk naar de enige nog lege stoel in de kring, toevallig naast mij. Ik schuif mijn stoel dichter naar die van Andrea om hem de ruimte te geven en neem me voor om dadelijk, onopvallend, mijn ogen eens goed de kost te geven.

Nadat de oudere man – Ton, gepensioneerd, fervent cactuskweker – en (inderdaad) zijn zoon – Chris, fiscalist en dol op zeilen – hun relaas hebben gehouden, is het de beurt aan de man rechts van me.

‘Oké,’ begint hij. ‘Mijn naam is Rik van de Akker en ik…’

Vrijwel direct begin ik naar adem te happen. Rik van de Akker? RIK VAN DE AKKER?! Hoe is het mogelijk dat ik hem niet heb herkend? Het mag dan een jaar of zes geleden zijn dat ik hem voor het laatst zag, zijn uiterlijk zou in mijn geheugen gegrift moeten staan. Ik gluur voorzichtig opzij om meteen weer verschrikt voor me te kijken. Ja hoor, het is hem. Hij heeft zijn capuchon inmiddels naar achteren geschoven en is nu duidelijk herkenbaar. Ik breng mijn hand naar mijn hoofd, zodat ik mijn gezicht kan bedekken met mijn mutsje, maar halverwege bedenk ik dat ik dat niet meer draag. O, hoe ik dat ding nu wenste. Of liever nog een levensgrote muts, zo eentje waar ik in zijn geheel in kon verdwijnen. Ondertussen roffelt mijn hart bijna mijn borstkas uit.

Met de diepe stem die ik uit duizenden had moeten herkennen, vertelt Rik dat hij tot voor kort in het noorden van het land woonde en werkte, bij Staatsbosbeheer, maar dat hij vanwege de gezondheid van zijn vader weer in zijn ouderlijk huis is getrokken. Om weer in contact te komen met de mensen hier leek het hem leuk om mee te doen aan dit project.

Ik hoor het maar half. Mijn stemming is omgeslagen in paniek en woede en ik krijg een akelige oprisping van een vernederd gevoel. Het zorgt ervoor dat ik rood kleur van mijn tenen tot mijn kruin. Ik wil hier weg, ik moet hier weg. Rik mag me niet herkennen! Het liefst wil ik meteen vertrekken, onopvallend.

Voorzichtig trek ik aan Andrea’s mouw.

Ze schudt afwezig haar arm.

‘Pssst. Dré.’

Ze reageert niet. Ze doet verdorie net alsof het nog interessant is ook, wat Rik allemaal vertelt.

‘Andrea,’ probeer ik nog eens. Door de paniek komt het er harder uit dan ik wil.

Nu kijkt ze me met grote ogen aan, net als de rest van het gezelschap.

Rechts naast me verschuift Rik zijn stoel. Hij onderbreekt zijn verhaal en gaat nota bene verzitten zodat hij me beter kan bekijken. ‘Hé…’ zeg hij na een paar tellen. Maar dan stopt hij.

Hij heeft me herkend! Ik moet hier weg, en heel snel. Abrupt sta ik op, mijn stoel klettert op de grond.

‘Sorry,’ ik schraap mijn keel. ‘Ik moet gaan.’ Ik gris mijn tas van de grond en weet niet hoe snel ik het gebouwtje uit moet stormen.

*

Buiten staat een forse wind die van alle kanten lijkt te komen, alsof hij ook niet weet waar hij heen wil. Telkens tilt hij mijn haren op en wappert ze dan tegen mijn gezicht. Links, rechts, links. Elke keer een klap in mijn gezicht.

Het is een stukje lopen naar het huis van Andrea, waar mijn auto staat. Onderweg word ik een paar keer gebeld. Dat zal Andrea wel zijn die heeft ontdekt dat ik echt niet meer terug naar binnen kom. Ik neem niet op.

Verkleumd, verdrietig en miserabel van zelfmedelijden kom ik bij mijn auto. Voordat ik wegscheur zet ik de verwarming op zijn hoogst en de blazers op maximaal. Weg hier. Ik wist wel dat dit stomme comité een slecht idee was.

Als ik een paar minuten onderweg ben, hoor ik mijn telefoon weer. Jammer voor haar, mijn tas ligt op de achterbank dus ik kan er niet bij. Harder dan nodig neem ik de laatste scherpe bocht voordat ik de bebouwde kom uit rijd, de afgelegen weg tussen de weilanden op. 

Over Iris Houx

Iris Houx is geboren en getogen in Noord-Brabant. In 2010 begon ze met het schrijven van korte verhalen en columns. Ze publiceerde o.a. in Dagblad Metro, TPO Magazine, Viva en Esta en won diverse schrijfwedstrijden. Sinds 2013 is ze vaste columniste van Chicklit.nl, waar ze met haar humor en eigen stijl een grote groep vaste lezers aan zich weet te binden. Scoop! is haar debuutroman.

OVER SCOOP!

Schrijfster Iris Houx neemt je mee in de wereld van Esmée Evers. Esmée verhuist naar de grote stad, waar ze een baan krijgt als redactiechef. Althans, dat vertelt ze haar vriendinnen, in werkelijkheid is ze redactieassistente. Haar leugentje is lastig vol te houden als één van haar vriendinnen haar bazin wordt bij hetzelfde magazine. Wanneer een bekende tv-ster noodgedwongen moet onderduiken, krijgt Esmée de kans zichzelf te bewijzen. Ze bedenkt een plan dat niet alleen de media op zijn kop zet, maar ook haar eigen carrière, vriendschappen en relatie...

Gerelateerde onderwerpen