Dit veld is verplicht

Dit veld is verplicht

Nee bedankt

Scoop!

Deel 8: Daar staat 'ie,
de jongen waar ik zo smoorverliefd op was

schrijfster

Iris Houx

V

Vorige week lazen we hoe Esmée werd opgezadeld met het inwerken van haar nieuwe bazin slash vriendin. Ook Andrea komt met een vervelende mededeling, en wel over 'Slicky Rikky'. Want waarom heeft Esmée toch zo'n moeite met die kerel?

‘Rik? Die jongen die naast ons zat? Dat was jouw Rik van de middelbare school? Slicky Rikky?’ Andrea’s stem klinkt nog verbaasder dan ik me afgelopen zaterdag voelde toen ik ontdekte wie er naast me zat.

‘Yep, die was het. Rik van de Akker. Van top tot teen.’

Ik klem de telefoon in mijn nek en roer langzaam door het rode prutje in de steelpan. Eerlijk gezegd heb ik er weinig trek in, maar meer heb ik niet in huis.

‘Klote zeg. Geen wonder dat je zo raar deed.’

Ik geef geen antwoord. Ik vond het zelf nogal meevallen. Op de schaal van Esmée tenminste. Ik heb véél raardere dingen gedaan dan weglopen uit een meeting onder het valse voorwendsel dat ik migraine had, dat kan ik je verzekeren.

‘Waarom had je hem niet meteen herkend?’

Dat is een vraag die ik me inmiddels ook al twee dagen stel. ‘Ik snap er niets van,’ zeg ik. ‘Ik had hem natuurlijk al jaren niet meer gezien en zijn haar hing voor zijn ogen en zo.’ Ik trek ruw aan een keukenla die geblokkeerd wordt door een groot voorwerp. ‘Het was er ook zo verdomd schemerig.’ Eigenlijk ben ik gewoon kwaad op mezelf. Die stem – ook al was hij een stuk zwaarder dan in mijn herinnering – en die oogopslag, ik had het meteen moeten merken!

‘Oké,’ is alles wat Andrea zegt. Alsof ze lang nadenkt over een geweldige theorie hiervoor. Ik wacht een poosje, maar er komt niets meer.

Het prutje begint zijn kookpunt te naderen. Snel zet ik het vuur lager. Ik kijk om me heen. Verdorie, nu is mijn saus klaar maar ben ik vergeten macaroni te koken! Ik kan ook echt geen twee dingen tegelijk, waarom probeer ik het nog? Ik draai het fornuis uit en loop naar de woonkamer waar ik me op de bank laat zakken. Direct komt Knurftje aanrennen en springt op mijn schoot, ze heeft er een zesde zintuig voor. Afwezig begin ik door haar vachtje te kroelen.

Andrea heeft Rik nooit eerder ontmoet omdat we op verschillende scholen zaten en bovendien kwam Rik pas op latere leeftijd in Avier, maar ze heeft mijn verhalen tot vervelens toe moeten aanhoren. Toch vertel ik het nog maar eens. Hoe ik als puber al twee jaar in stilte verliefd op hem was. Hij zat altijd achter me bij Nederlands en wiskunde. We kletsten leuk, we konden met elkaar lachen en in de pauze trokken we met dezelfde mensen op. Hij was rustig en niet zo uitsloverig als de meeste jongens uit onze klas. Hij had subtiele humor en hij lachte zo leuk: een tikje uitdagend en toch verlegen. Ik was echt helemaal weg van hem, compleet met het misselijke gevoel als ik hem onverwachts tegenkwam, het stotteren, het struikelen over mijn eigen woorden en benen, de hele rataplan.

De ramp voltrok zich op het verjaardagsfeest van Lisa. De hele klas was uitgenodigd in de garage van haar ouders die gemetamorfoosd was tot een disco waar een heuse dj (haar broer) cd’tjes draaide. Die avond zou ik al mijn moed bij elkaar rapen en Rik ten dans vragen. Andrea had weken op me ingepraat. Uit alle verhalen die ik haar vertelde was het zo klaar als een klontje dat hij me leuk vond. De kans om met hem te dansen zou niet meer snel voorbijkomen, dus die avond moest het gebeuren. We hadden zelfs met rollenspellen geoefend hoe ik het zou doen. Doodzenuwachtig was ik, maar vastberaden. Toen Lisa’s broer halverwege de avond ‘Beautiful’ van Christina Aguilera opzette, haalde ik een keer diep adem en liep ik zo rustig mogelijk naar hem toe.

‘Hoi Rik,’ zei ik zachtjes maar luid genoeg, terwijl ik mijn hoofd schuin hield en voorzichtig naar hem lachte, precies zoals Andrea en ik geoefend hadden. ‘Dansen?’ Ik zwiepte een keer met mijn haar, wat ook bij het hele spel hoorde. Alleen deed ik het iets te enthousiast waardoor het in Riks gezicht waaierde. Toch keek ik hem hoopvol aan. En wat ik zag, maakte me uitzinnig.

Zijn ogen lichtten op en hij glimlachte zijn smeltlachje zoals ik het noemde, het lachje waarbij zijn ene mondhoek iets verder omhoogging en er een kuiltje ontstond, of eigenlijk meer een klein vouwtje. Je zag het alleen als je dichtbij stond.

Mijn lichaam reageerde zoals het altijd deed: mijn hartslag versnelde, mijn maag maakte een radslag, mijn knieën werden week. Rik ging ja zeggen, ik zag het! Wankel deed ik een stap naar voren, klaar om me in zijn armen te storten zodra het verlossende woord geklonken had. Juist toen Rik zijn mond opende, bleef de cd hangen op een van de eerste hoge uithalen van Christina. Drie keer achter elkaar galmde haar aanzwellende gilletje door de garage. Heeeheeeheeeee. Stop. Heeeheeeheeeee. Stop. Heeeheeeheeeee. Stop. Ik kan het geluid zo weer oproepen. Ik hoor het zelfs nog wel eens in een droom, of tijdens een vergadering, als me plotseling een vraag wordt gesteld en iedereen stil is en naar me staart en ik het antwoord niet weet.

Heeeheeeheeeee. Stop. Heeeheeeheeeee. Stop. Heeeheeeheeeee. Stop.

Lisa’s broer begon te vloeken en vervolgens was het akelig stil.

Rik sloot zijn mond en keek afgeleid om zich heen, terug naar mij, en nog een keer naar de menigte. Ik volgde zijn blik. Wat moest dit voorstellen? Iedereen stond ons aan te gapen. De meiden hadden zo’n typische uitdrukking die verried dat hun hersens niet konden bevatten wat hun ogen zagen, met een mond die oncharmant openhing en oogballen die bijna naar buiten rolden: ging Rik dansen met die sneue Esmée?!

‘Dansen? Met jou?’ riep Rik veel harder dan nodig was, gevolgd door een harde lach. ‘Hahaha! Serieus? Met jou?!’ Zijn woorden kaatsten tegen de muren om ons heen. ‘Je danst vast net zo slecht als je eruitziet.’ En weer die lach.

Ik deed een stap terug. Wat was dit? Een slechte grap? Heel even twijfelde ik, totdat ik het gehoon van mijn klasgenoten hoorde. Hard en schel. Het hield pas op toen Lisa’s broer zijn stereo-installatie weer tot leven had gewekt en Christina Aguilera een tweede poging waagde. Don’t look at me, fluisterde ze voordat ze opnieuw een hap adem nam om te gaan gillen.

Nu ik eraan terugdenk, komt het gevoel van toen in alle hevigheid boven. Ik weet nog precies hoe vernederd, klein, miezerig, waardeloos en stom ik me voelde. Seconden leken minuten te duren eer ik me eindelijk uit de voeten had gemaakt. Snikkend stond ik buiten, met mijn rug tegen de garagemuur. You are beautiful, no matter what they say. Words can’t bring you down, zong Christina door de muur heen. Yeah, right.

Ik geloof dat de moeder van Lisa me uiteindelijk naar huis heeft gebracht.

De rest van het weekend heb ik huilend bij Andrea doorgebracht, jammerend dat ik nóóit meer terug naar school ging. Dit was véél erger dan de keer dat ik in de klas naar voren werd geroepen voor een overhoring en er een onderbroek uit mijn broekspijp op het gangpad viel. Die was er de vorige avond bij het uitkleden waarschijnlijk in blijven hangen. Sindsdien controleer ik trouwens nog elke ochtend mijn broekspijpen. En ja, ook veel erger dan die keer dat ik me ziek wilde melden vanwege een puist op mijn voorhoofd ter grootte van een derde oog, wat mijn moeder weigerde, waarna ik uiteindelijk een halfuur te laat op school kwam met een zeer experimenteel maar puistbedekkend kapsel. En zo ging het maar door. Het enige wat Andrea telkens zei was: ‘Alles komt goed.’

En ze had gelijk. Het kwam ook goed, uiteindelijk. Min of meer. Nog twee jaar moest ik Rik bijna dagelijks onder ogen komen tijdens de lessen Nederlands en wiskunde, worstelend tussen gevoelens van hoop als hij me zo nu en dan een smeltlachje toewierp, alsof er nooit iets was gebeurd, en gevoelens van afschuw en vernedering bij de gedachte aan wat er was gebeurd voor het oog van al mijn klasgenoten. Rik was de held van de klas door zijn geweldige actie. Zeker een week lang had men het nergens anders over. Opvallend genoeg deed hij nog aardiger tegen me dan daarvoor. Tijdens de tekenles fluisterde hij zelfs een keer, nadat hij zich ervan verzekerd had dat niemand hem kon zien of horen: ‘Kan ik je even spreken op de gang?’ Maar mooi niet dat ik daar op inging natuurlijk. Wie weet wat voor valse streek ik deze keer kon verwachten. En zo ging het nog een paar keer. Toen gaf hij het op. In de twee jaar die erop volgden werd er nog sporadisch aan gerefereerd, meestal door de populaire meiden uit de klas, alsof ze me er weer even aan wilden herinneren dat ik heus niet zo leuk was als ik dacht dat ik was. Maar daarna kwam alles goed, precies zoals Andrea had gezegd. Ik haalde mijn diploma, ging op kamers, stortte me in het bruisende studentenleven en Rik was snel vergeten.

*

‘Ach, misschien is hij wel veranderd. Jullie waren pubers. Het is zo lang geleden,’ zegt Andrea vlak voordat ze een flinke hoestbui krijgt.

‘Echt niet!’ roep ik erdoorheen. ‘Ben jij veranderd? Ben ik veranderd? Nee! Niet wezenlijk. En zo’n huichelachtige klootzak als Rik verandert al helemaal nooit.’

Andrea is klaar met hoesten en maakt nu een protesterend geluid.

‘Het wordt hooguit erger,’ voeg ik er nog aan toe.

People change. Memories don’t,’ zegt ze.

Dan begint ze te vertellen over het vrijwilligerscomité en dat Robbert haar gisteren gebeld heeft. ‘Hij zei dat het makkelijker was om in kleine groepjes te werken die eens in de drie weken een terugkoppeling geven tijdens een gezamenlijke bijeenkomst.’

Ik gaap en doe mijn best om ervoor te zorgen dat Andrea het niet kan horen. ‘Oké. Nou. Klinkt prima.’ Ik ging toch kappen met dat hele comité.

Mijn vingers blijven hangen in de vacht van Knurftje, ik moet haar weer eens kammen.

‘Weet je trouwens,’ breng ik het gesprek op iets anders. ‘Dat gezeik op mijn werk, hè, het houdt maar niet op. Nu moet ik Jasmijn ook nog gaan inwerken.’ Ik weet dat ik nu ontzettend aan het zeuren ben, maar ik kan er niets aan doen. Ik heb er zo’n gigantische knoop van in mijn maag. Het is echt, Jasmijn komt bij ons werken. Ze wordt mijn baas… Met een kort rukje trek ik een knoop uit de vacht van Knurftje, die daar niet zo heel blij mee is, maar omwille van de gezelligheid toch besluit om te blijven liggen.

Andrea luistert geduldig naar mijn gemiep en komt voor de verandering eens niet met onuitvoerbare mega-assertieve acties waarvoor ik gewoon niet ontworpen ben. Ik denk terug aan het ‘Wat is daarop je antwoord’-debacle en kreun inwendig. Ik zweer je, dat was mijn laatste poging. Ik doe niet aan assertief, wat Andrea me ook probeert wijs te maken.

‘Simpel,’ zegt ze dan. ‘Je moet het haar zo snel mogelijk vertellen.’

Simpel. Zo klinkt het altijd als Andrea het zegt. Maar daar trap ik deze keer niet in. ‘Simpel?’ zeg ik, waarbij ik me erover verbaas hoe flexibel mijn stem kan zijn binnen één woord. ‘Simpel?! Dit is fokking helemaal niet simpel. Dit is een grote, doffe ellende. Ik ga af als een rookmelder als dit uitkomt. Als Jasmijn het weet, weten Do en Mei-Lan het óók, en echt, dat trek ik gewoon niet. Ik heb zoveel mooie verhalen opgehangen, ik durf er niet aan te denken hoe sneu ik lijk als dit allemaal uitkomt.’ Ik zie hun blikken al en ik voel me misselijk worden. Ondertussen sterf ik ook van de honger trouwens.

‘Heb je een betere oplossing dan?’ vraagt Andrea. Ze vraagt het zacht en lief en ik weet dat ze gelijk heeft maar o, wat zie ik ertegen op.

Ik zie het maar als een retorische vraag en geef geen antwoord.

‘Moet jij trouwens niet voor de tv zitten?’ zeg ik als ik op mijn dvd-speler zie dat het bijna zeven uur is. Ik zet Knurftje van mijn schoot en kom langzaam overeind.

‘Hoezo? Ah, shit!’ Er klinkt geruis, dan wat gerommel en daarna het geluid van de tv. ‘Gelukkig. Het is pas net begonnen. Wacht, ik zet hem even op pauze.’

Andrea’s heimelijke genoegen is Lief & Leed met de Laseurs, een realityserie rondom de steenrijke familie Laseur. Ze slaat geen aflevering over. Ons gesprek zal wel ten einde zijn, dus ik sta op om weer naar de keuken te lopen.

‘Eh, Esmée. Nog een dingetje,’ begint Andrea. ‘Wat ik net nog wilde zeggen, over die subgroepjes van Robbert. Het is best wel erg, maar…’

‘Wat?’ Ik blijf halverwege de kamer staan. Ik vraag me af wat er in vredesnaam nog erger kan zijn dan dat gezeik op mijn werk, Jasmijn en mijn door Rik verpeste puberteit.

‘… jij en ik zijn dus ingedeeld samen met Rik.’ Het laatste woord moffelt ze een beetje weg in een soort kuchje.

‘Rik?’ roep ik. ‘rik?!’, nog een octaaf hoger en ik klink als Christina Aguilera.

‘Maar wij hebben wel een leuke taak hoor! Hartstikke leuk zelfs!’ haast Andrea zich te zeggen. ‘Wij gaan de activiteiten voor kinderen en jongeren opzetten.’ Ze laat het klinken alsof we een geheel verzorgde relaxvakantie naar Thailand hebben gewonnen, maar ik luister momenteel helemaal nergens naar.

‘Kun je Robbert Ribbroek niet terugbellen en zeggen dat hij ons bij iemand anders indeelt?’ Dan bedenk ik dat ik toch ging afzeggen en ik kalmeer een beetje. ‘Nee, weet je wat? Zeg ze maar dat ik helemaal niet meer meedoe!’ Ik loop verder naar de keuken waar ik verdwaasd rondkijk. Wat kwam ik hier ook al weer doen?

‘Relax,’ zegt Andrea. ‘Het is maar voor een paar keer en bovendien heb ik tegen Robbert gezegd dat jij een kei bent in marketing en communicatie. We hebben jou nodig!’

Ik weet zo gauw niet wat ik moet antwoorden. O ja, mijn avondeten. Dat kwam ik hier doen.

‘Shit, ik krijg nog een lijn,’ zegt Andrea. ‘Ik heb oproepdienst vanavond. We bellen nog.’ En weg is ze.

Niks geen ‘alles komt goed’ deze keer. Ik moet Jasmijn gewoon maar even de waarheid vertellen en verder zit ik in een taakgroepje met Rik. Fanatiek grijp ik het pannetje bij zijn steel. Zonder pardon keil ik het afgekoelde en ingedikte rode prutje in de vuilnisbak. Ik wil nu meteen iets eten. Iets vets.

Ik wurm me in mijn jas. Gefrustreerd merk ik dat de mouwen allebei binnenstebuiten zijn blijven steken toen ik hem voor het laatst heb weggehangen. Na een korte worsteling sjees ik de deur uit. Ik heb besloten dat het een quattro formaggi gaat worden van die dubieuze, maar dichtstbijzijnde pizzeria een paar straten verderop.

*

De beslagen ramen en deuren en de charmante tl-verlichting geven al van veraf aan dat El Maffioso (ik weet zijn echte naam niet eens en het staat ook nergens duidelijk aangegeven) geopend is. Ik versnel mijn pas.

Binnen ruikt het naar verbrande kaas. Ik sluit aan in de korte rij met wachtenden en staar voor me uit, chagrijnig. Alles loopt in het honderd, ik heb er geen vat meer op. Alle ellende dendert als een lawine op me neer. Het pak sneeuw is echter zo groot en heeft zoveel vaart, dat wegrennen geen optie meer is. En ach, wie houd ik nu voor de gek? Rik vermijden is net zoiets als toegeven dat hij gewonnen heeft, dat het me iets kan schelen. Bovendien is het uitstel van executie. Hij heeft mij ook herkend. Blijkbaar woont hij weer in Avier, dus vroeg of laat kom ik hem toch een keer tegen.

Verder zal ik op korte termijn een elegante manier moeten vinden om Jasmijn op de hoogte te brengen van mijn geheim. Ook hier heeft uitstellen geen zin. Ik moet nu een grote meid zijn. Gewoon gaan liggen, de lawine der ellende over me heen laten razen en hopen dat ik het er levend van afbreng. Alles komt goed. Als Andrea het niet zegt, doe ik het zelf wel.

*

Ik ben bijna thuis als mijn telefoon overgaat. Het is Hugo. Joepie! Ik was helemaal vergeten dat hij nog iets zou laten weten over dat appartement.

‘Hallo lieve, gekke knotsiebol!’ roep ik zodra ik opneem. ‘En? En? En? Is het wat? Waar is het, in het centrum of in elk geval dicht erbij? Heeft het een bad? Een houten vloer?’

‘Tja…’

‘Wat “tja”?’ vraag ik. Man, kom eens ter zake!

‘Er is één dingetje,’ begint Hugo. ‘Er mogen geen huisdieren gehouden worden.’

Ik kijk verbaasd naar mijn telefoon, alsof ik daar iets van kan aflezen. Geen huisdieren? Serieus? Is dat niet een beetje achterhaald? ‘Ja maar Knurftje dan?’ vraag ik verontwaardigd.

‘Tja, dat zou betekenen…’

‘Nee!’ val ik hem in de rede. ‘Ik kan Knurftje toch niet wegdoen?’

‘Nou ja, ze hoeft ook niet weg,’ antwoordt Hugo voorzichtig. ‘Misschien naar je ouders of zo?’

‘Kan niet. Mijn moeder is zwaar allergisch voor honden en katten.’ En afgezien daarvan kan ik me eigenlijk niet eens voorstellen dat ik Knurftje weg moet doen. Ik heb haar al drie jaar en in die tijd is ze naar me toe gegroeid als een zonnebloempje naar de zon. Of zo. ‘Nee, schat. Dat kan echt niet,’ laat ik er teleurgesteld op volgen. ‘Sorry.’

Natuurlijk blijft Hugo zoals altijd zijn lieve, begripvolle zelf. ‘Ik snap het, popje. Maak je geen zorgen. Ik vind wel iets anders, ik zoek gewoon door.’

Hoewel het als een paal boven water staat dat ik Knurftje niet wegdoe, voel ik me er toch lullig over.

Met een ferm gebaar klap ik de pizzadoos open. Hè? Wat is dat? Dat is geen quattro formaggi! Dit is… iets ondefinieerbaars. Is het artisjok? Maar hoe kan dat nu weer? Ik moet de verkeerde doos van de balie gepakt hebben. Kwaad klap ik hem dicht en smijt hem richting de salontafel. De pizza valt ondersteboven op het vloerkleed, uiteraard. Dat kan er ook nog wel bij. Ik laat me opzij vallen en begin dan zomaar ineens te huilen. Klotepizzeria! Klote-appartement! Klotebaan! Alles klote! 

OVER IRIS HOUX

Iris Houx is geboren en getogen in Noord-Brabant. In 2010 begon ze met het schrijven van korte verhalen en columns. Ze publiceerde o.a. in Dagblad Metro, TPO Magazine, Viva en Esta en won diverse schrijfwedstrijden. Sinds 2013 is ze vaste columniste van Chicklit.nl, waar ze met haar humor en eigen stijl een grote groep vaste lezers aan zich weet te binden. Scoop! is haar debuutroman.

OVER SCOOP!

Schrijfster Iris Houx neemt je mee in de wereld van Esmée Evers. Esmée verhuist naar de grote stad, waar ze een baan krijgt als redactiechef. Althans, dat vertelt ze haar vriendinnen, in werkelijkheid is ze redactieassistente. Haar leugentje is lastig vol te houden als één van haar vriendinnen haar bazin wordt bij hetzelfde magazine. Wanneer een bekende tv-ster noodgedwongen moet onderduiken, krijgt Esmée de kans zichzelf te bewijzen. Ze bedenkt een plan dat niet alleen de media op zijn kop zet, maar ook haar eigen carrière, vriendschappen en relatie...