Dit veld is verplicht

Dit veld is verplicht

Nee bedankt

Scoop!

Deel 10:
Als je constant vreest ontmaskerd te worden

schrijfster

Iris Houx

V

Vorige week lazen we hoe Esmée haar vriendin Jasmijn verwelkomde bij Moo Moo Media, en opnieuw een gelegenheid voorbij liet gaan om haar leugentje op te biechten. Zal ze daar dapper in volharden, nu ze Jasmijn ook nog een rondleiding door het bedrijf moet geven?

‘Waar is jouw kantoor eigenlijk?’ Jasmijn kijkt om zich heen. We zijn haar kantoor uit gelopen en bevinden ons nu vlak voor mijn bureau aan het begin van de afdeling. Zo onopvallend mogelijk kijk ik ernaar. Het staat in het smalste gedeelte van de afdeling, ingesloten door de kantoren van Gretta en de redactiechefs. Het archiveerwerk waar ik aan begonnen was, ligt slordig gegroepeerd over mijn bureau. De enige hoek van de papieren bureauonderlegger die nog zichtbaar is, krult op en heeft een grote koffiekring. En ook al kan ik het van hieraf niet zien, ik weet dat er overal muffinkruimels liggen die hun kleine vetkringetjes hebben achtergelaten op alle papieren.

‘Een eind verderop, daar komen we straks vanzelf langs,’ fantaseer ik. Verderop, in het ruime deel, zijn de bureaueilandjes van het overige ondersteunend personeel en de freelancers. Ik troon haar mee.

Zo snel mogelijk stel ik Jasmijn voor aan Tjibbe en Lolien, de enige freelancers die op dit moment aanwezig zijn. Tjibbe houdt het gelukkig kort, maar Lolien praat zoals gewoonlijk snel en zenuwachtig en af en toe doet ze haar gekke lachje. Loliens lach klinkt precies als het geluid dat hyena’s maken als ze bang zijn. Ik kwam daar laatst achter toen ik mijn badkamer aan het schoonmaken was met ondertussen Discovery op tv. Ineens dacht ik dat Lolien mijn huis was binnengedrongen. Ongerust rende ik de woonkamer in, waar het gewoon van de tv bleek te komen: het geluid van angstige hyena’s. En van Lolien dus. Sindsdien noem ik haar stiekem De Hyena. Alleen in mezelf hoor, want ze is hartstikke lief en sympathiek, maar ook heel nerveuzig en dat is vandaag dus een beetje eng, want ik heb geen idee wat ze allemaal gaat zeggen. Dadelijk is het iets ‘belastends’. Dat het zo fijn voor me is dat ik eindelijk van Valerie af ben en nu een leuke baas heb of zoiets, bij Lolien kun je alles verwachten.

‘Sorry, Hy… eh… Lolien.’ Gelukkig valt mijn verspreking weg in haar zoveelste lachje. ‘Maar we hebben echt zo’n hy… eh… sterisch programma vandaag, we móéten weer door. Maar laten we binnenkort een keer met z’n drieën lunchen of zo.’ Ik pak Jasmijn bij haar dunne arm en trek haar met lichte dwang mee.

Als we bij de vergaderruimten komen, botsen we bijna tegen Timo en Jack die waarschijnlijk net hun interview met Ines erop hebben zitten.

‘Hé Esmée!’ zegt Timo enthousiast.

Jack pakt direct zijn gitaar en speelt met één flukse beweging een dramatisch akkoord dat hij even laat nagalmen. ‘Ooooow, Esméeeee, ga toch met ons meeeee,’ zingt hij met een snik in zijn stem. ‘Weg van hier…’

‘Bij ons is het leuk, en wij hebben veel bier,’ improviseert Timo erachteraan. Hij maakt een gebaar alsof hij een flesje bier aan zijn mond zet.

‘Doei. Tot ziens weer.’ Lachend doe ik een stap opzij.

‘Dat rijmt niet, Esmée!’ roept Jack over zijn schouder, vlak voordat ze de hoek omgaan. Een laatste dramatisch akkoord sterft weg.

Jasmijn kijkt me met twinkelende ogen aan. ‘Die twee zijn echt knettergestoord!’ Ze fluistert heel hard. ‘Heb je me nooit iets over verteld! En waaaah! Ze kennen zelfs je naam!’ Ze heeft een glimlach van oor tot oor. Ik wist het wel. Die gaat nog flink teleurgesteld worden.

*

Het is halfeen als we bijna alle afdelingen hebben bezocht, behalve sales. Die heb ik voor het laatst bewaard, zodat we Krystel meteen kunnen ophalen voor de lunch. Eigenlijk had ik onze afspraak vandaag willen afzeggen zodat ik alleen met Jasmijn kon gaan eten, ergens buiten de deur, maar door alle stress ben ik dat compleet vergeten. Het is te hopen dat er geen rare dingen gebeuren, want Krystel weet nog niet dat ik mijn nieuwe bazin al kende voordat ik hier kwam werken. Dat ik, om precies te zijn, bevriend met haar ben. Krystel mag het best weten, daar gaat het niet om, maar liever vertel ik het zelf op het juiste moment.

Bij Jasmijn ligt het wat lastiger. Hét Moment heeft zich nog steeds niet voorgedaan en dat is eigenlijk een wonder.

Het begon al in de directievleugel, bij Olaf Mentink, de grote baas. Hij schudde Jasmijns hand met een vriendelijk knikje en keek daarna fronsend naar mij. ‘En jij bent…?’ vroeg hij. ‘Esmée Evers,’ begon ik te stamelen, want ik schrok me de tering. ‘Ik ben eh… ook van Go Glam!,’ bracht ik uit. Olaf bleef fronsen en ik kon gewoon zien hoe hij zijn geheugen doorspitte wie ik precies was en waar ik dan ergens zat op die afdeling die hij maximaal twee keer per jaar bezocht. Hij wilde zijn mond al openen voor ongetwijfeld nog meer reputatieschade mijnerzijds, toen ik hem snel voor was: ‘We zullen u niet langer ophouden, u bent vast heel druk. Bedankt voor uw tijd.’

En daar hield het niet op. We ondergingen nog een paar keer zo’n zelfde ritueel bij de andere directieleden. Telkens vreesde ik ontmaskerd te worden, ik kreeg er ontzettend de zenuwen van. In het ene kantoor stootte ik een kopje van het bureau en begon ik te zwetsen dat de kleur van de luxaflex zo perfect matchte bij de stropdas van het bewuste directielid, in een ander noemde ik de man zonder hem te kennen ‘een toffe peer’, en weer ergens anders introduceerde ik Jasmijn als Wasmijn Jetzers. Hopeloos.

‘Hoeveel chefs werken er eigenlijk bij Moo Moo?’ vroeg Jasmijn zodra de deur van de directievleugel achter ons dichtviel. Ik haalde zo nonchalant mogelijk mijn schouders op. ‘Per tijdschrift een stuk of drie. Sommigen werken voor meerdere bladen, dus in totaal een stuk of vijfentwintig.’

‘En hoelang werk jij er nu, een jaar?’ En toen ik bevestigend antwoordde: ‘Wat zijn dat dan voor idioten dat ze jou niet eens kennen?’ Ik stond hier echt op het punt om haar even apart te nemen en de bom te droppen, maar ik antwoordde: ‘Geen idee. Die lui van de directie komen nauwelijks hun kantoren uit, je weet hoe dat gaat.’ Ik moest gewoon zo nodig plassen, ik trok het gewoon niet. Ik stond dan ook op het punt een toilet in te duiken toen we Morris tegenkwamen in de gang. Hij had die zoekende blik die hij altijd heeft wanneer hij op de hielen wordt gezeten door de directie en in hoge nood verkeert om rotklussen door te schuiven. Naar mij bijvoorbeeld. Toen hij me in het vizier kreeg, versnelde hij zijn pas. ‘Dingetje,’ riep hij van verre. ‘Kun jij…’ In een vlaag van paniek trok ik Jasmijn de dichtstbijzijnde ruimte in, ongelukkigerwijze een kopieerhok. ‘Auw!’ riep ze verontwaardigd. Snel trok ik de deur achter ons dicht. ‘Sorry, maar ik vergat bijna iets heel belangrijks,’ verontschuldigde ik me. Jasmijn wreef over haar arm en keek rond in het kleine bedompte hok met niets anders dan een oud model Xerox en wat opgestapelde dozen kopieerpapier. ‘Dit is dus de heel belangrijke eh… vermenigvuldigruimte van de afdeling personeelszaken,’ zwetste ik. ‘Hier gebeuren prachtige dingen. Niet vergeten.’ Ik gaf het apparaat een klopje. Met mijn andere hand hield ik de klink van de deur zo stevig vast dat Morris, mocht hij het in zijn hoofd halen me hier op te komen zoeken, het toch erg lastig zou krijgen. Jasmijn bleef geïnteresseerd naar het kopieerapparaat staren, alsof ze verwachtte dat hij elk moment kon gaan opstijgen, praten of m&m’s uitpoepen. Ik liet voorzichtig de klink los – ik voelde geen tegendruk – opende de deur en spiedde over de gang. Alles veilig. Nergens een Morris te zien. Zelfs de bedwelmende aftershavelucht die altijd een paar meter achter hem drijft was nergens meer te bekennen. ‘De kust is veilig,’ zei ik tegen Jasmijn. ‘Ik bedoel: grapje, laten we verdergaan,’ herstelde ik me snel.

Maar goed. Ondertussen voelt het dus alsof mijn blaas elk moment kan ontploffen. Ik zie voor me hoe ik dan als een gesprongen waterleiding het hele gebouw onder water zet. Mijn loopje is er ook niet veel eleganter op geworden, geloof ik. Alsof mijn benen zijn samengebonden ter hoogte van mijn knieën.

*

Krystel is druk aan het bellen als we bij sales binnenstappen. Ze zwaait even. Haar knot zit wat slordig en er steekt een potlood uit.

Ik gebaar dat we wel even wachten. Tegen Jasmijn zeg ik: ‘Dat is Krystel, de secretaresse van sales, ze gaat dadelijk met ons lunchen.’

‘Waarom?’ vraagt Jasmijn.

Ik kijk haar aan. ‘Omdat ik bevriend met haar ben. Ze is een leuke meid en ze houdt ook van shoppen en uit eten gaan en zo.’ Dat ze het liefst bij de McDonald’s eet en shirts met obscene teksten onder haar colberts verbergt, laat ik maar achterwege.

Jasmijn lijkt het niet gehoord te hebben. ‘Met een secretaresse?’ Ze schudt meewarig haar hoofd.

Het duurt even voordat ik haar opmerking kan plaatsen. Ik heb er nooit over nagedacht, maar inderdaad, je ziet het nergens bij ons bedrijf. Managers lunchen met managers, chefs met chefs en het plebs (zoals Valerie het altijd noemde) met het plebs. En ik ben in Jasmijns ogen natuurlijk een chef, geen plebs. Shit.

Als Krystel klaar is met bellen pakt ze haar spullen en gaan we gedrieën naar de kantine. Hoewel ik Krystel en Jasmijn om eerdergenoemde redenen liever niet alleen laat met elkaar, roept de natuur zo hard dat ik hem niet meer kan negeren. Vlak voor we er zijn, ren ik de toiletten in alsof men zojuist heeft omgeroepen dat er onbeperkt chocolademuffins worden verstrekt. Op topsnelheid plas ik mezelf vijf kilo lichter (wat duurt dat lang!) en dan ren ik weer terug.

Jasmijn en Krystel staan zwijgend naast elkaar bij de ingang waar ik ze heb achtergelaten, ieder een andere kant uit kijkend. Ik sleur ze mee in mijn vaart richting kantine. Na plassen is eten nu echt topprioriteit, door alle stress heeft mijn lichaam zoveel calorieën verbrand dat ik bijna omval van de honger. Ik hoop dat er nog van die lekkere harde broodjes kipkerriesalade zijn. O, ik kan ze al bijna ruiken en ook mijn speekselklieren beginnen direct te werken.

Ik loop rechtstreeks naar de doorzichtige lades met de belegde broodjes. Collega Hubert staat er met zijn smalle accountantsbillen voor. Hij staat net iets op zijn bordje te laden als ik achter hem aansluit. Het perspex luikje klapt dicht, het luikje van de belegde broodjes. Ik kijk naar binnen: een lege lade met her en der wat kruimels. Ik kijk naar zijn dienblad. Juist. Een broodje kipkerriesalade.

‘Ah, shit!’

Geschrokken kijkt Hubert op. ‘Sorry. Had jij die ook gewild? Zullen we de mijne delen?’

Gadver! Ik bedank hem vriendelijk.

*

We zitten aan een tafeltje. Links naast me hoor ik Jasmijn duidelijk kauwen en aan de rechterkant slurpt Krystel van haar thee alsof haar leven ervan afhangt. Verder is het stil. Al minstens vijf minuten. Jasmijns vraag of het verzorgen van de plantjes van haar baas ook tot haar taken behoort, viel bij Krystel niet in goede aarde. Jasmijn blijft zelfs stil als onze vaste columnist Bas Olde Loohuis de kantine in komt, een BN’er van wie ik weet dat ze er nogal weg van is. Bas groet ons met een knikje voor hij plaatsneemt aan een tafeltje even verderop. Krystel en ik groeten terug en Jasmijn staart alleen.

Ik probeer het gemis van een broodje kipkerriesalade goed te maken met een chocolademuffin en een Mars. Misschien neem ik hierna ook nog wel een zakje m&m’s. Chocolade lost alle problemen op, letterlijk. Ze smelten als chocolade voor de zon. Ik snap niet waarom sommige van die opgefokte wereldleiders dat niet inzien. Gewoon een avondje samen chocoladefonduen en die hele bonje is verleden tijd.

‘Esmée, mag ik je even storen?’

Ik schrik op uit mijn overpeinzingen. Er valt een schaduw over me heen die veroorzaakt blijkt te worden door het logge lijf van Tjibbe. Tjibbe die mij om een onduidelijke reden ontzettend haat.

Zonder antwoord af te wachten gaat hij verder. ‘Zijn die foto’s vrijdag nou nog per expresse verstuurd?’

Fok, dit wordt link. Waarom moet hij dat uitgerekend nú komen vragen? Ik krijg het warm, nee loeiheet. Uit dit soort vragen kan Jasmijn makkelijk opmaken dat ik maar een assistente ben. Een hulpje. Een slaaf, zelfs van een sukkel als Tjibbe. Denk aan je tenen, zeg ik tegen mezelf. Dat heb ik ergens gelezen. Als je bloost moet je aan je tenen denken, dan stroomt het bloed daarheen en weg uit je gezicht, of zoiets.

‘Hoe moet ik dat weten?’ antwoord ik zo brutaal als ik durf. Denk aan je tenen, denk aan je tenen.

‘Omdat jij ze zou versturen natuurlijk.’ Tjibbe spreekt het uit alsof ik een kleuter ben.

‘Ik? Hoe kom je daarbij? Ik doe dat soort werk toch helemaal niet?’ Ik kijk even naar Jasmijn. Ze volgt het gesprek met interesse.

Tjibbe staart me aan. Onzeker kijkt hij naar Krystel die haar schouders ophaalt, en vervolgens naar Jasmijn. Dan verandert zijn blik. ‘Wacht eens even. Je neemt me in de zeik! Heel grappig. Maar je bent het toch niet vergeten, hè? Mijn contactpersoon had namelijk nog niets ontvangen vanmorgen.’

‘Vreemd. Ik zal het even voor je nagaan.’ Ik heb die envelop vrijdag gewoon buiten in een oranje brievenbus gegooid, zonder ­expressezegel, maar dat hoeft hij niet te weten.

‘Hoezo nagaan? Heb je die dingen verstuurd of niet?’ Tjibbe raakt nu zwaar geïrriteerd.

Ik krimp ineen. ‘Mag ik daar straks op terugkomen? Ik heb pauze.’

Tjibbe twijfelt. Dat was een goede zet van mij. Pauze is heilig, zelfs voor plebs. Voor de vorm sputtert hij nog wat tegen, dan sjokt hij weg.

Krystel trekt een wenkbrauw op. ‘Geen zegel gebruikt?’

Ik schud mijn hoofd. We grinniken.

Jasmijn kijkt ons even aan en zegt dan: ‘Je gaat me toch niet vertellen dat ik hier óók nog mijn eigen post moet verzorgen, of wel?’

Dit is het, het moment waarop Krystel heeft gewacht. Als een roofdier dat al een tijdje op een prooi heeft zitten loeren, slaat ze toe: ‘Jíj hoeft dat niet te doen, natuurlijk. Dat doet je assistente,’ snauwt ze, ondertussen in mijn richting wijzend met haar theelepeltje. Ik smeek Het Lot dat Jasmijn dit niet heeft gezien. ‘Nadat ze eerst je plantjes heeft verzorgd uiteraard,’ voegt ze eraan toe. Ze maakt een flukse hoofdbeweging die me doet denken aan geagiteerde vrouwen uit realityshows.

Jasmijn kijkt me aan met een ‘waar hééft ze het over?’-blik.

‘Ja, Krystel. Waar heb je het over?’ vraag ik dan maar. Shit, hier krijg ik echt problemen mee.

‘Waar ik het over heb?’ Ze doet het realityshow-hoofdknikje weer. ‘Dat die tuttebel hier doet alsof ze de koningin is. Dáár heb ik het over.’ En dan, tegen Jasmijn: ‘Toevallig zijn mensen zoals jij nergens, maar dan ook helemaal nérgens zonder een assistente.’ Ze begint haar spullen op haar dienblad te gooien en kwaad beent ze weg.

*

Diep ellendig loop ik met Jasmijn terug naar onze afdeling. Hoeveel erger kan dit nog worden? Ik moet het Jasmijn nu echt vertellen en ook Krystel heb ik iets uit te leggen. Maar voor vandaag is het gevaar geweken, de rondleiding zit erop en voor vanmiddag heb ik Jasmijn wat rust gegund. Het is de bedoeling dat ze die tijd gebruikt om zich in te lezen in de organisatie, veilig opgeborgen in haar kantoor.

Als ze de deurklink van haar kantoor in de hand heeft, bedenkt ze ineens iets. ‘We zijn nog wat vergeten!’

Ik draai me om. Wat gaan we nu krijgen?

‘Jouw kantoor! Je hebt me je eigen kantoor nog niet laten zien!’

OVER IRIS HOUX

Iris Houx is geboren en getogen in Noord-Brabant. In 2010 begon ze met het schrijven van korte verhalen en columns. Ze publiceerde o.a. in Dagblad Metro, TPO Magazine, Viva en Esta en won diverse schrijfwedstrijden. Sinds 2013 is ze vaste columniste van Chicklit.nl, waar ze met haar humor en eigen stijl een grote groep vaste lezers aan zich weet te binden. Scoop! is haar debuutroman.

OVER SCOOP!

In Scoop! neemt schrijfster Iris Houx neemt je mee in de wereld van Esmée Evers. Esmée verhuist naar de grote stad, waar ze een baan krijgt als redactiechef. Althans, dat vertelt ze haar vriendinnen, in werkelijkheid is ze redactieassistente. Haar leugentje is lastig vol te houden als één van haar vriendinnen haar bazin wordt bij hetzelfde magazine. Wanneer een bekende tv-ster noodgedwongen moet onderduiken, krijgt Esmée de kans zichzelf te bewijzen. Ze bedenkt een plan dat niet alleen de media op zijn kop zet, maar ook haar eigen carrière, vriendschappen en relatie...

Gerelateerde onderwerpen