Dit veld is verplicht

Dit veld is verplicht

Nee bedankt

Scoop van Iris Houx
Scoop!

Deel 11:
Oh, dat ondeugende lachje van hem!

schrijfster

Iris Houx

V

Vorige week lazen we hoe Esmées parade van ongemakkelijke momenten nog even voortduurde. Een nieuwe onverwachte ontmoeting met Rik maakt haar leven er ook niet makkelijker op. Want waarom werkt haar trucje tegen zijn smeltlachje niet?

‘Vertel eens. Ben je al begonnen aan je nieuwe functie?’

‘Pap!’ Ik haat het als mijn vader met zijn mond vol praat. Hij is een schat, maar dat soort dingen moet hij gewoon niet doen. En over mijn werk wil ik het al helemaal niet hebben. Het is een wonder dat ik Jasmijn gisteren de hele dag om de tuin heb weten te leiden en ook dat ik bij haar vraag over mijn kantoor gered werd door een voorbijsnellende Bas Olde Loohuis die opeens Jasmijns aandacht opeiste.

Ik kijk naar mijn vader. Hij heeft zijn trainingspak nog aan omdat hij net is wezen hardlopen (‘trimmen’ noemt hij het, waarbij ik altijd aan iets anders moet denken – bikinilijnen en zo). Een lichtblauw, glimmend trainingspak dat hij al draagt zo lang ik me kan herinneren. Om zijn hoofd zit een zweetband. Een zweetband! Ik had gehoopt dat het ding een keer kwijt zou raken in de was of zo, maar mijn moeder is daar blijkbaar niet zo heel behulpzaam bij.

‘Nou?’ gaat hij verder, nog steeds met volle mond. ‘Wanneer wordt onze dochter nu eindelijk manager?’

Het laatste woord spreekt hij overdreven Amerikaans uit: mennedzjurrr. De r houdt hij wat langer aan.

‘Liefje, geef me de broccoli even aan,’ tettert mijn moeder erdoorheen. Doet ze altijd.

Ik geef haar de kom.

‘Chef,’ verbeter ik mijn vader. ‘Geen manager. Redactiechef, om precies te zijn.’

Dan klinkt er een hoop kabaal. Het is mijn broertje Mats die de trap af komt denderen.

‘Hé, Esmée, wat doe jij hier?’ Ik krijg een forse klap op mijn schouder voordat hij tegenover me gaat zitten. Mats weet goed dat ik zo eens in de twee weken een avondje thuis eet, met name tegen het einde van de week als mijn koelkast leeg begint te raken. Het is ons ding, ons vaste geintje. Het is de bedoeling dat ik een zo origineel mogelijk antwoord geef. Ik kom de kaas van je bord schieten/Ik heb een geheime opdracht van de maffia/Mijn koelkast is leeggeroofd door aliens, of wat dan ook.

‘Eten,’ zeg ik voordat ik begin met het aansnijden van mijn koteletje. Vandaag heb ik geen zin in geintjes.

‘Nou, Esmée. Vertel eens wat. Hè? Hoe gaat het op je werk?’ vraagt mijn moeder. ‘En wanneer zien we Hugo nog eens? Hè? Heeft hij al een huisje voor jullie gevonden? Hè?’ Ongeveer de helft van de zinnen van mijn moeder eindigt op ‘hè’. Het is een tik die volgens mij nooit meer overgaat.

Ik kijk even naar Mats, die rustig dooreet en zich nergens aan lijkt te ergeren. Hij heeft geen vriendin, dus misschien herkent hij mijn irritaties niet. Mats is drie jaar jonger dan ik en hij woont nog thuis. Ik snap dat niet. Mijn ouders zijn schatten en ik ben heel blij dat ik ze regelmatig zie, maar om weer thuis te wonen – hier in Avier Achterbeek nog wel – en fulltime op elkaars lip te zitten: dacht het niet. Ik denk aan die kleine onhebbelijkheden van mijn ouders: de vreselijke trainingspakken van mijn vader, zijn bovenmatig en zeer opzichtig gebruik van tandenstokers, het ge-hè van mijn moeder en haar gewoonte om iedereen, maar dan ook ie-de-reen die over de vloer komt (zelfs mensen die via Marktplaats alleen iets komen ophalen) te onderwerpen aan een kruisverhoor: ‘Waar kennen jullie elkaar van? Hè? Via internet? Zo, zo. Doet u dat wel vaker? Hè? Afspreken met jonge meisjes, bedoel ik. Hè?’ Maar Mats heeft daar allemaal geen last van blijkbaar. ‘Hugo is er druk mee bezig, mam. Lekker vlees trouwens.’

Ze glundert. ‘Ja, hè? De slager had nieuwe kruiden op de toonbank staan, speciale voor karbonaadjes, hoe vind je dat? Hè?’

Ik lach schaapachtig.

‘Hij had twee varianten: eentje met en eentje zonder zout. Ik dacht eerst: ik pak die zonder zout, want die heb ik zelf altijd in huis. Hè? Maar…’

Mijn gedachten zijn alweer elders, ergens waar ze eigenlijk helemaal niet willen zijn: kantoor.

*

Na het eten duik ik de zolder op, er moeten daar nog wat kandelaars en fotolijstjes van mij liggen die misschien leuk zijn voor Hugo en mijn nieuwe huisje. Maar als ik na een kwartier ploeteren door kampeerspullen, schaatsen en vergeelde kinderknutsels van Mats en mij nog steeds niets gevonden heb, ruim ik teleurgesteld op en ga weer naar beneden.

Met veel lawaai staat mijn moeder de vaatwasser in te ruimen. Oeps, ik had wel even kunnen aanbieden om te helpen.

Ze stopt kort als ze mij voorbij ziet lopen. ‘Liefje, Andrea belde net of je haar niet vergeten was. Jullie hadden afgesproken of zo?’

‘Afgesproken?’ vraag ik me hardop af. Ik weet nergens van. Zou ik een berichtje gemist hebben? Nou ja, ik was toch van plan om zo meteen even bij haar langs te gaan, dat doe ik meestal als ik bij mijn ouders heb gegeten. Ik help nog even met de vaatwasser en pak dan mijn jas.

*

Andrea woont een paar straten verderop, dus ik ben er binnen enkele minuten. Ik parkeer mijn auto op de oprit, achter de grijze Volvo-stationwagen van haar ouders. Ik kijk omhoog naar het zolderraam van het vrijstaande huis. Toen Andrea aan het einde van haar studie coschappen ging lopen bij een dierenarts in Groot Avier, is ze weer thuis gaan wonen. Ik bedenk dat ze geluk heeft dat ze nog enige privacy heeft daar helemaal bovenin. Andrea’s ouders zijn aardig hoor, daar niet van, maar een tikje excentriek.

Als ik mijn auto op slot bliep komt er een andere auto aanrijden die voor het huis parkeert, waarschijnlijk gasten voor het biologische huiskamerrestaurant van Andrea’s ouders. Een kooklucht komt me al tegemoet, iets met veel knoflook.

‘Hoi Esmée,’ klinkt het achter me. Ik schrik zo erg dat ik mijn autosleutel uit mijn handen laat vallen en als ik me omdraai schrik ik zo mogelijk nog erger. Rik! Wat doet hij hier?! Ik heb hem niet horen aankomen. Geen wonder op die bordeelsluipende sneakers van hem. Ze zijn wel ontzettend gaaf, registreer ik onwillekeurig. Ik zag ze laatst op een online webshop en vroeg me nog af of ik Huug zo’n paar kon aansmeren. Waarschijnlijk niet.

‘Sorry. Liet ik je schrikken?’ Hij bukt om mijn sleutel op te rapen.

Boosheid en een ongemakkelijk gevoel wisselen elkaar af. Wat heeft hij hier te zoeken? Komt hij hier eten? Serieus? In zijn eentje?!

Ik geef geen antwoord. In een fractie van een seconde scan ik de rest van zijn outfit: een ietwat baggy spijkerbroek (wat ik altijd enorm sexy vind) en een houthakkersjack met een voering van teddystof. Mijn eindconclusie is dat er niets op aan te merken valt en dat haat ik.

‘Hoi,’ zeg ik kortaf en steek mijn hand uit voor de sleutels. Hij laat ze erin glijden met een charmante en tegelijkertijd – hoe durft hij! – ondeugende glimlach. Het verdomde smeltlachje.

Denk aan je tenen, Esmée. Denk aan je tenen.

Ik draai me om in een poging onverschillig te ogen. Eigenlijk wil ik vragen wat hij hier doet, maar dat zou verraden dat het me iets interesseert.

Als ik achterom het huis wil lopen, houdt Rik me voorzichtig tegen. Verwonderd kijk ik naar zijn hand die op mijn arm blijft liggen.

‘Esmée,’ begint hij. Hij strijkt nonchalant door zijn haar. Ook zo’n gebaar waar ik vroeger weke knietjes van kreeg. Vroeger.

‘Ja, Rik. Wat is er?’ vraag ik geïrriteerd en het irriteert me nog meer dat hij die toon gewoon negeert.

‘Gewoon. Ik wilde zeggen dat het leuk is om je weer eens te zien.’ Ik val bijna om van verbazing. Leuk om je weer eens te zien? Serieus?! ‘Je bent weinig veranderd. Ik bedoel: je ziet er goed uit,’ gaat hij verder.

Ik besluit dan maar via de voordeur te gaan. Hij loopt achter me aan. Ik bel aan en kijk verwachtingsvol naar de voordeur (Schiet op, Andrea. Schiet op!) en doe verder alsof hij niet bestaat.

‘Hoe gaat het met je? Ik hoorde van Andrea dat je in de stad woont tegenwoordig.’

De brutaliteit zeg, om het onzichtbare schermpje dat ik tussen ons heb opgetrokken botweg te negeren.

Helaas ben ik slecht in zwijgen. Dat heeft er ook mee te maken dat ik niet tegen stiltes kan. Echt niet. Ik zeg dan het eerste wat in me opkomt. Dom of niet. Ik roep met gemak tegen een onbekende dat ik zijn broek zo mooi vind (afgeleefde ribbroek), dat zijn haar zo goed zit (kaal) of laatst, tegen een collega: dat ik haar man gisteren nog bij de boekwinkel zag met een andere vrouw, gewoon echt stomme dingen.

‘Klopt,’ zeg ik. ‘Ik heb communicatie gestudeerd en daarna ben ik in de stad blijven hangen. Ik werk bij Moo Moo Media.’

Ik kijk voorzichtig opzij. Rik lijkt niet onder de indruk. Zijn ogen staan neutraal en missen die doordringende blik die hij heeft als hij echt geïnteresseerd is.

‘Ik ben redactiechef,’ vul ik aan. Op het moment dat ik het uitspreek heb ik al spijt. Wat is dat toch met die leugen om bestwil dat ik hem maar niet kan stoppen? Ik wil een rewind-knop, ergens op een onopvallend plekje op mijn lichaam. Bij mijn oor bijvoorbeeld, dat het net lijkt alsof ik aan mijn oor krab, maar dat ik dan stiekem mijn laatste domme opmerking kan wissen. Voordat ik verder kan nadenken over het aanvragen van octrooi op deze geniale uitvinding, gaat de voordeur open.

‘Hoi!’ roept Andrea. ‘O, jullie zijn er allebei tegelijk!’ Bezorgd neemt ze me op. Als antwoord rol ik veelzeggend met mijn ogen. Ze ziet het wel, maar kan niet anders dan het negeren. ‘Kom binnen.’

Gelukkig neemt ze het gesprek over. Ze vraagt aan Rik of hij het makkelijk heeft kunnen vinden. Ik luister niet naar zijn antwoord. Pas als ik achter Andrea aan de trap op loop en Rik weer achter mij aan sjokt, snap ik opeens wat Andrea bedoelde met haar telefoontje over een afspraak en haar opmerking dat we er allebei tegelijk zijn. Dit is een afspraak met ons ‘subgroepje’, dat verdomde comité waar ik nog een smoes voor moest bedenken. Ik ben erin geluisd! Andrea wist gewoon dat ik anders niet zou komen. Het gore lef! En nu kan ik natuurlijk nergens meer heen. Ik zit vast halverwege een trap, gesandwicht tussen Andrea en Rik. Hier moet ik later een hartig woordje met haar over spreken, en überhaupt over haar belachelijke idee om ons aan te melden voor zo’n suf vrijwilligersklusje.

We stommelen de tweede trap op, naar de zolder. De geur van knoflook uit de keuken beneden maakt langzaam plaats voor de vertrouwde geur van kruidenthee – sterrenmix waarschijnlijk. Ik hoor de duiven op het dak koeren. Het geluid van koerende duiven associeer ik altijd met Andrea’s kamer. Het is opgeruimder dan ik gewend ben en ik zie dat Andrea al het een en ander heeft klaargelegd. Op het salontafeltje staan drie kopjes, lepeltjes, suiker en melk en er ligt een schrijfblok met een pen.

Ik neem plaats op ‘mijn’ rieten stoel en Rik installeert zich op de doorgezakte bank. Andrea blijft staan en vraagt wat we willen drinken.

‘Heb je icetea?’ vraag ik.

‘Ik denk het wel,’ antwoordt Andrea.

‘Doe mij dat dan ook maar,’ zegt Rik.

Tss, na-aper.

Als Andrea naar het geïmproviseerde aanrechtje onder de punt van de twee schuine daken loopt, zet Rik ons gesprek voort. ‘Dus je bent redactiechef?’

Andrea heft haar hoofd met een ruk op en kijkt even om met een vermanende blik. Ik haal mijn schouders op voordat ik me weer tot Rik wend. ‘Ja, zoiets. De functies zijn bij ons niet zo duidelijk gedefinieerd,’ probeer ik het af te zwakken. Daarna, om het gesprek van mij af te leiden, vervolg ik: ‘En jij, wat doe jij tegenwoordig?’

Rik begint te vertellen over Staatsbosbeheer waar hij blijkbaar werkt (saai) en dat hij slechts tijdelijk weer in Avier woont (gelukkig) om voor zijn vader te zorgen. Terwijl ik met een half oor luister, zit ik me af te vragen waarom ik hem niet meteen heb herkend die middag in de soos. In feite is hij niets veranderd. Zijn gezicht is volwassener, zijn donkere haar is wat langer, maar het kenmerkende gebaar van zijn hand door zijn haar is er nog steeds. Zijn lange gestalte is misschien nog iets langer, maar zijn lichaamshouding met de iets afhangende schouders is hetzelfde. Net zoals de indringende blik waarmee hij je aankijkt op momenten dat hij wil dat je echt begrijpt wat hij zegt. Al die eigenschappen, ik had ze kunnen dromen. In feite heb ik ze gedroomd, heel vaak. Nu vervullen ze me echter met ergernis. Mooie praatjes, indringende blikken, coole gebaren door het haar: allemaal nep. Ik haat nep.

Hij draait een onderzetter die hij van het tafeltje heeft gepakt heen en weer tussen zijn handen. Het is een van de onderzetters met een Spaans tafereeltje die ik ooit als souvenir voor Andrea heb meegebracht uit Barcelona. Ik wil hem uit zijn hand slaan. Stop daarmee! Maar ik doe het niet. Ik zucht een keer en laat me nog wat dieper in mijn stoel zakken. O, alsjeblieft, laat deze plaag snel aan mij voorbijgaan.

‘Laten we beginnen.’ Andrea heeft inmiddels twee iceteas voor ons neergezet en is naast Rik gaan zitten. Ze pakt het schrijfblok en de pen van het tafeltje. Voordat ze verdergaat, kijkt ze me even onderzoekend aan. Ik kijk boos terug: het laatste woord is hier nog niet over gezegd.

‘Het is de bedoeling dat we gaan brainstormen,’ begint ze. ‘Ideeën gaan spuien hoe we de jongerenactiviteiten – want daar zijn wij vanaf nu verantwoordelijk voor – gaan vormgeven. Daarnaast is ons gevraagd om na te denken over de promotie van het hele feest en hier eventueel al een kostenraming voor op te stellen.’ Ze klikt fanatiek haar pen in en uit. In-uit, in-uit. ‘Nou, roept u maar.’ Blij en verwachtingsvol kijkt ze ons om beurten aan. Rik gooit de onderzetter op tafel (eindelijk) en vouwt zijn handen achter zijn hoofd. Ik tuur vooral naar de klok.

OVER IRIS HOUX

Iris Houx is geboren en getogen in Noord-Brabant. In 2010 begon ze met het schrijven van korte verhalen en columns. Ze publiceerde o.a. in Dagblad Metro, TPO Magazine, Viva en Esta en won diverse schrijfwedstrijden. Sinds 2013 is ze vaste columniste van Chicklit.nl, waar ze met haar humor en eigen stijl een grote groep vaste lezers aan zich weet te binden. Scoop! is haar debuutroman.

OVER SCOOP!

In Scoop! neemt schrijfster Iris Houx neemt je mee in de wereld van Esmée Evers. Esmée verhuist naar de grote stad, waar ze een baan krijgt als redactiechef. Althans, dat vertelt ze haar vriendinnen, in werkelijkheid is ze redactieassistente. Haar leugentje is lastig vol te houden als één van haar vriendinnen haar bazin wordt bij hetzelfde magazine. Wanneer een bekende tv-ster noodgedwongen moet onderduiken, krijgt Esmée de kans zichzelf te bewijzen. Ze bedenkt een plan dat niet alleen de media op zijn kop zet, maar ook haar eigen carrière, vriendschappen en relatie...