Dit veld is verplicht

Dit veld is verplicht

Nee bedankt

Scoop!

Deel 12:
Hoef je vandaag niet in de bosjes te liggen?

schrijfster

Iris Houx

V

Vorige week lazen we hoe Esmée onverwacht oog in oog stond met Rik en niet wist hoe snel ze weer weg moest komen. Nu ze eindelijk kan vertrekken, wil haar auto niet starten. Hulp van Rik wil ze al helemaal niet. Maar hoe komt ze anders weg?

Graag was ik na afloop nog even met Andrea alleen achtergebleven, maar ze krijgt een telefoontje dat ze naar de praktijk moet komen voor een spoedoperatie bij een aangereden kat. Voordat we fatsoenlijk afscheid kunnen nemen, scheurt ze al weg in haar oude Toyota. Rik en ik blijven achter op de oprit.

Hij steekt zijn hand op naar Andrea en zegt tegen mij: ‘Nou, tot ziens dan, hè?’

Ik brom een soort afscheidsgroet en stap in mijn auto.

Het starten gaat niet vlekkeloos, de motor slaat af. Natuurlijk. Zal je net zien, nu Rik erbij staat is het ineens alsof ik niet weet hoe ik mijn eigen auto aan de praat krijg. Ik probeer het nog een keer. Weer klinkt hetzelfde pruttelende geluid. Ik start opnieuw, hij pruttelt, hij slaat af, ik vloek. Ik start opnieuw, hij pruttelt, hij slaat af, ik vloek. En zo dus vier keer.

In de achteruitkijkspiegel zie ik Rik terug de oprit op komen. Hij tikt tegen mijn raampje. Met tegenzin en een rood hoofd laat ik het raam een stukje zakken.

‘Startproblemen?’

‘Ik krijg mijn eigen auto heus wel aan de praat hoor, maak je geen zorgen,’ bits ik. Ik laat het raampje weer dicht zoeven. Meteen draai ik de sleutel nog eens om. Opnieuw klinkt er eerst een onheilspellend geluid en dan slaat de auto af. Dit heb ik nog nooit gehad.

Ik gooi mijn armen in de lucht ten teken dat ik me overgeef en gooi het portier open. Rik deinst achteruit om het te ontwijken, maar stapt dan toch weer dapper naar voren.

‘Mag ik eens?’

O, wat heb ik hier een hekel aan. Meneer zal wel even de redder in nood gaan uithangen. Sjonge, jonge, daar had hij beter tien jaar geleden al mee kunnen beginnen, denk ik verbitterd. Met een diepe zucht en een blik van ‘je doet maar’ sta ik mijn plaats aan hem af.

Buiten de auto sla ik mijn armen over elkaar en bereid me voor op het wachten. En ja hoor, constateer ik triomfantelijk, ook Rik lukt het niet om hem te starten.

‘Is je accu soms leeg?’

‘Ik heb hem vorige week nog bijgevuld,’ lieg ik. Weet ik veel hoe een accu werkt. Mooi dat ik me niet laat kennen.

Rik glimlacht. ‘Heb je je lichten dan aan gelaten?’

Ik zeg van niet, dat het niet kan omdat er dan een piepje afgaat.

Rik knikt vol herkenning. Er valt hem iets op aan het dashboard, hij buigt zich over het stuur. ‘Hé, het waarschuwingslampje van de startmotor is aan. Waarschijnlijk ligt daar het probleem.’

‘En dat betekent…?’ Ik zet mijn handen in mijn zij.

‘Ik ben bang dat hier echt een monteur naar moet kijken.’ Verontschuldigend haalt hij zijn schouders op.

Nee hè. Heb ik weer.

‘Waar zit je garage?’

Ik noem de naam van mijn vaste garage die hier gelukkig vlakbij zit.

‘Ik sleep je er wel heen.’

Het liefst zou ik zijn aanbod resoluut afslaan, maar ik ben bang dat hij dan echt vertrekt en hoe kom ik hier dan ooit weg?

Voor de vorm sputter ik wat tegen, maar stiekem ben ik opgelucht. Misschien kan Rik ze daar ook uitleggen wat er precies aan scheelt, want zelf ben ik nogal bang van die norse garagemannetjes die me altijd direct lijken te herkennen als het type dat nul komma nul verstand van auto’s heeft. Alsof ik een button met ‘Naai me een oor aan’ op mijn trui gespeld heb, toevallig precies ter hoogte van mijn decolleté. Maar gelukkig is Rik dus een man met een praktische inslag. Ik begin hem een heel klein beetje te mogen.

*

‘Stap in. Ik breng je wel naar huis.’

Als we mijn auto achter hebben gelaten bij een weinig spraakzame – en voor zover spraakzaam: onverstaanbare – automonteur in een met smeerolie bedekte overall, sta ik hulpeloos op de stoep. Het is eigenlijk vanzelfsprekend dat Rik me een lift aanbiedt. Hoe gênant.

Ik reageer niet meteen. Zijn donkere ogen blijven me indringend aankijken. Ik denk even aan mijn tenen, maar zoals gewoonlijk heb ik het idee dat het weinig helpt.

‘Oké. Bedankt,’ zeg ik dan. Ik stap in. Dus dat is geregeld. Al zou ik momenteel liever een lift aanvaarden in de cabine van een rokende, naar broodje bal ruikende trucker met een lading kadavers voor het destructiebedrijf.

‘Het komt me eigenlijk wel goed uit, ik moest toch nog die kant op om een rapport naar kantoor te brengen. Anders zou ik er morgen op mijn thuiswerkdag speciaal voor moeten rijden.’ Rik kijkt glimlachend opzij en het guitige kuiltje verschijnt.

Een thuiswerkdag? Ik dacht eigenlijk dat dat iets voor papa’s met kinderen was.

‘Hoef je niet in de bosjes te liggen dan?’

Rik moet er hard om lachen, best een leuke lach eigenlijk. ‘Dat ik bij Staatsbosbeheer werk, wil nog niet zeggen dat ik de hele dag door de bossen struin. Meer dan de helft van de tijd zit ik op kantoor of in vergaderingen.’

Jammer. Ik zag het eigenlijk best voor me. Rik de boswachter, in een groen boswachterpakje met zo’n lullig hoedje met een veer op zijn hoofd. Ik grinnik.

‘Is er iets?’

‘Nee hoor.’

Eerst rijden we langs zijn huis om het rapport op te halen. Ik blijf in de auto zitten en observeer hem terwijl hij het drassige pad op loopt richting de donkergroene voordeur van een ietwat vervallen langgevelboerderij. Ik heb nooit geweten dat hij hier woonde. Het ligt ook erg afgelegen van het dorp. Het heeft wel iets. Vroeger droomde ik er wel eens over om in zo’n oud boerderijtje te wonen. Ik zou het helemaal opknappen en inrichten met een mix van brocante en modern en samen met een knappe hipsterman heel veel kinderen krijgen die dan allemaal lekker in die grote tuin konden spelen met de kippen en de geiten.

Al snel komt Rik weer naar buiten, zijn hoofd een beetje gebogen tegen de motregen. Het opgerolde rapport steekt uit zijn jack. Een vlaag frisse buitenlucht met een zweempje aftershave waait de auto binnen als hij weer instapt.

De eerste paar minuten rijden we door de weilanden zonder een woord te wisselen. Het duurt niet lang voordat mijn stiltefobie begint op te spelen.

Net als ik iets heb bedacht om over te praten, doet Rik zijn mond open. ‘Ben je nog lang ziek geweest na die vergadering in de soos?’

Ik denk diep na.

‘Toen je opeens weg moest omdat je niet goed werd?’

‘O, dat.’ Ik slik. ‘Ging wel. Ik had een plotseling opkomende migraine.’

‘Wat vervelend. Heeft mijn zus ook vaak last van.’ Na een korte pauze vervolgt hij: ‘Weet je, Esmée. Vroeger, toen op de middelbare school, je-weet-wel…’

Van schrik verslik ik me bijna in mijn eigen speeksel. Wat? Gaat hij dit onderwerp nu aansnijden? Hier? Met ons tweeën, in een auto waar ik niet uit weg kan? In gedachten zie ik mezelf hysterisch aan het portier rukken, zoals in enge films waar ontvoerde mensen proberen te ontsnappen door zich uit pure wanhoop uit een rijdende auto te werpen. Het bijbehorende enge muziekje speelt al door mijn hoofd. Voorzichtig kijk ik naar Rik. Zijn blik is gericht op de weg, schijnbaar kalm. Maar ja, zo’n stoïcijnse uitdrukking hebben psycho’s ook altijd vlak voordat ze toeslaan. Als hij voelt dat ik staar, draait hij zijn hoofd naar me toe.

‘Dat was echt zo stom van mij,’ gaat hij verder alsof hij niets heeft gemerkt van mijn paniekaanval. ‘Hoe moet ik het zeggen. Je weet hoe dat gaat op die leeftijd…’

Ik voel overal zweet opkomen, zelfs op plekken waarvan ik niet eens wist dat het kon. Waarom moeten we het hierover hebben? Waarom nu? Ik schuif heen en weer. Jeuk komt op vanuit mijn hals. Ik krab even snel. Koortsachtig ga ik op zoek naar een ander gespreksonderwerp. Mijn gedachten gaan direct uit naar hetgeen me momenteel het meest bezighoudt.

‘Ik ben trouwens helemaal geen redactiechef,’ hoor ik mezelf zeggen. Wat? Zei ik dat echt? Ja, dat zei ik.

Rik kijkt me even verbaasd aan en richt dan zijn aandacht weer op de weg.

‘Ik bedoel,’ gaat de stem die niet van mij is verder. ‘Mijn vriendinnen denken allemaal dat ik redactiechef ben. Andrea niet natuurlijk, maar wel de meiden waar ik mee gestudeerd heb.’ Ik ratel maar door. Het lijkt Rik niet te deren. Hij knikt begrijpend. Af en toe kijkt hij opzij. Vreemd hoe dat allemaal nog steeds vertrouwd voelt. De rust die hij uitstraalt is die van psychiaters in films, het werkt als een aanmoediging. Ik gooi het hele verhaal eruit. Onze opleiding, de flitsende carrières van mijn vriendinnen, de leugen, de sollicitatie van Jasmijn en zelfs de reeks afgangen tijdens Jasmijns voorstelronde met als topper het voorval met Tjibbe en de expressezegel. Alles. Zelfs een bulldozer zou me niet meer kunnen afremmen nu.

Rik rijdt ondertussen kalm en beheerst verder. Tja, wat moet hij anders, me uit zijn auto zetten? Soms lacht hij een heldere, aanstekelijke lach. Als ik niet oppas, vertel ik hem dadelijk nog veel ergere dingen. Dat ik het zakdoekje dat hij me ooit gaf toen ik moest niezen nog jaren in mijn nachtkastje bewaard heb als relikwie, bijvoorbeeld.

‘Tja, Esmeetje. Jij bent me er eentje,’ besluit hij met een grijns.

Ik begluur hem van opzij. Zijn handen liggen rustig op het stuur, zijn aandacht is bij de weg, maar toch merk ik dat hij belangstellend is. Hij grijnst wel, maar het is niet lullig bedoeld.

Nu begin ik ook voorzichtig te lachen. ‘Erg hè?’

*

Eenmaal in de stad aangekomen is de roes een beetje uitgewerkt. Mijn voeten raken de grond, ik kom weer terug op aarde. Wat heb ik gedáán?! Alsof ik in een biechtstoel zat en smachtte om vergeving heb ik zojuist al mijn kaarten op tafel gekwakt. En dat waren allesbehalve troeven. Alles om Rik maar niet over dat ene té gênante moment te laten beginnen. Niet dat het me veel interesseert hoe Rik over mij denkt natuurlijk, maar het zou wel een zoete wraak zijn geweest als ik hem versteld had doen staan over wie ik geworden ben, hem had kunnen laten inzien dat hij zich zo vreselijk vergist had destijds en dat ik eigenlijk supergeweldig ben. Die kans is nu dus definitief verkeken. Bij de gedachte aan dat ene moment van vroeger vlamt mijn oude haat weer op. Even maar. Het is zo verdomd moeilijk om een hekel aan die jongen te krijgen.

‘Ach, er zijn ergere dingen.’ Zijn ogen blijven op de weg gericht. ‘En jij slaat je er vast weer op je eigen, onnavolgbare wijze doorheen.’ Dan draait hij zijn hoofd naar me toe en knipoogt. Hij knipoogt!

We rijden nu mijn straat in. Uit beleefdheid, en omdat ik ook niet weet wat ik anders moet zeggen, bedank ik hem nog een keer voor de lift.

Een paar minuten later sleep ik mezelf verward en met zware benen de trap op, leeg en een beetje depri. Binnen laat ik me met jas en al voorover op de bank vallen. O, mijn leven.

OVER IRIS HOUX

Iris Houx is geboren en getogen in Noord-Brabant. In 2010 begon ze met het schrijven van korte verhalen en columns. Ze publiceerde o.a. in Dagblad Metro, TPO Magazine, Viva en Esta en won diverse schrijfwedstrijden. Sinds 2013 is ze vaste columniste van Chicklit.nl, waar ze met haar humor en eigen stijl een grote groep vaste lezers aan zich weet te binden. Scoop! is haar debuutroman.

OVER SCOOP!

In Scoop! neemt schrijfster Iris Houx neemt je mee in de wereld van Esmée Evers. Esmée verhuist naar de grote stad, waar ze een baan krijgt als redactiechef. Althans, dat vertelt ze haar vriendinnen, in werkelijkheid is ze redactieassistente. Haar leugentje is lastig vol te houden als één van haar vriendinnen haar bazin wordt bij hetzelfde magazine. Wanneer een bekende tv-ster noodgedwongen moet onderduiken, krijgt Esmée de kans zichzelf te bewijzen. Ze bedenkt een plan dat niet alleen de media op zijn kop zet, maar ook haar eigen carrière, vriendschappen en relatie...

Gerelateerde onderwerpen