Dit veld is verplicht

Dit veld is verplicht

Nee bedankt

Scoop!

Deel 21: 'Eigenlijk heb ik allang
geen hekel meer aan hem'

schrijfster

Iris Houx

E

Eerder lazen we hoe Esmée instemde met Riks voorstel om een keer samen te gaan paardrijden. Zoveel stelt het nu ook weer niet voor. Gewoon een doodnormale afspraak met een oud-klasgenoot, niet meer en niet minder. Vandaag is het dan zover. Zal het inderdaad zo doodnormaal verlopen als Esmée zich heeft voorgesteld?

‘Is het lang geleden?’

‘Wat?’ Ik kijk opzij. Rik staart over het hoofd van Chandler de verte in, waar alleen een bos te zien is. ‘Dat je hebt paardgereden?’

 

‘O, datte. Een jaar of acht, schat ik. Mijn nichtje had een verzorgpaard. Ik ging wel eens met haar mee en dan mocht ik ook een stukje rijden. Ik heb vaak aan mijn ouders gevraagd of ik op paardrijles mocht, maar zij deden het af als een bevlieging en ze vonden het ook te duur. Maar ik heb nog lang doorgezeurd, hoor.’

We zijn net vertrokken bij de boerderij van Riks vader en rijden nu stapvoets over een zandpad richting het bosgebied. Ik was vergeten hoe fijn en rustgevend het is om vanaf de hoge rug van een paard door de natuur te rijden. Ik geniet.

‘Dus toen was je ook al zo eigenwijs?’ Rik doet het bekende lachje inclusief kuiltje aan één kant, maar gelukkig smelt ik niet. Wel ben ik blij dat de sfeer tussen ons nu heel ontspannen is. In het begin voelde het even geforceerd, maar dat veranderde snel. ‘Hoezo? Vind je me zo eigenwijs dan?’ Ik vraag het half serieus.

Rik lacht weer. ‘Nou ja, een beetje. Op een leuke manier wel. Zoals je vertelde over je werk met die leugen tegen je vriendinnen en hoelang je dat volhield.’

Ik kuch. Fijn dat hij me hieraan herinnert. Ik moet het nog steeds aan Do en Mei-Lan vertellen.

‘Hoe gaat dat nu trouwens?’

De dramatische zucht die ik probeer te slaken komt er nogal vreemd uit. ‘Weet niet,’ zeg ik. ‘Het is heel dubbel.’ Ik vertel over Jasmijns presentatie voor de directie. De paniek in het begin, mijn trucje met de flip-over en ook de scène met de ‘pornoshop’ doe ik na. Hoe Morris Jasmijn na afloop allemaal veren in haar reet stond te steken, terwijl ik er maar wat bij stond. Dat ik behoorlijk over de zeik was, hoewel ik ook snap dat het nu eenmaal zo gaat in de zakenwereld. Rik luistert vooral en bij het pornoshopverhaal moet hij hard lachen. Het voelt vertrouwd. Alsof ik tegen Andrea praat, maar dan zonder die Engelse quotes ertussendoor.

We rijden het bos in. Het pad wordt iets smaller, het zand losser en de geur van vochtige bladeren wordt sterker. ‘Ik vind je wel erg lief, hoor,’ zegt Rik opeens. Geschrokken kijk ik op.

‘Ik bedoel: té lief, voor Jasmijn, snap je?’ haast hij zich te zeggen. ‘Ze mag dan wel je vriendin zijn en ook je bazin, dat wil niet zeggen dat ze er zomaar met jouw ideeën vandoor kan gaan.’

‘Het was niet zomaar, ze was wel heel dankbaar en zo.’ Ik buk om een grote tak te ontwijken die anders mijn hoofd zou raken. ‘Dankbaar? Dat mag je hopen, ja. Je hebt haar carrière zo’n beetje gered! Ze is gaan strijken met de eer van jouw werk en ze heeft je naam niet eens genoemd in de aftiteling.’

‘Tja, zo gaat het nu eenmaal in de zakenwereld,’ quote ik Jasmijn.

‘Zo gaat het in de wereld van Jasmijn, bedoel je. Jij hoeft dit allemaal niet te pikken. Jij moet haar administratief assisteren, niet souffleren of haar werk compleet overnemen. Als dit jouw ideeën waren, mag jij er ook de credits voor krijgen. Echt, je bent veel te lief.’ Ik zeg niets. Ik begin te blozen, geloof ik. Ter afleiding kijk ik om me heen. Het is prachtig hier. En zo heerlijk rustig. Het ruikt lekker fris. Ik word er relaxed van. En Rik heeft gelijk. Dat weet ik ook wel, heel diep vanbinnen. Andrea zegt het ook. Huug zegt het. Waarom geloof ik het nooit? En dan zeg ik iets wat ik nog nooit hardop heb uitgesproken: ‘Ik ben gewoon bang dat ik misluk. Liever ben ik degene op de achtergrond die het toch niet kan of probeert, dan degene in de spotlights die faalt.’

Het is stil, afgezien van de gebruikelijke geluiden. Fluitende vogels, geritsel, takjes die knappen onder de hoeven van de paarden, de wind die zachtjes waait. Ik wacht op een quote uit de motivational quote top 100, iets van de Dalai Lama of zo. Maar ik vergeet even dat het Rik is en niet Andrea. ‘Tja,’ zegt hij alleen. ‘Dan moet je dat lekker blijven doen.’ Nou ja zeg! Ik denk dat ik bij nader inzien toch liever zo’n quote van Andrea had gehad.

‘Kom, durf je nog in galop?’ verandert Rik van onderwerp. Direct geeft hij Chandler de sporen. Die gaat een kort moment in draf en schakelt dan over op galop. Na een paar dagen met veel regen is de grond net wat opgedroogd. Een kleine stofwolk stuift achter hen aan. Galop is eng, zeker op een onbekend paard. Ik twijfel, het is al lang geleden. Toch spoor ik Monica voorzichtig aan tot draf.

In de verte wordt Rik kleiner en kleiner, ik zie hem een bocht omgaan. Holy paardenshit, ik ken de weg hier niet! Zonder na te denken geef ik Monica nog een keer de sporen en buig voorover. Zo diep als ik durf houd ik mijn hoofd naast haar hals, zoals ik geleerd heb. En hoppa, ik ga in galop. Ook bij mij stuift het zand om de oren. Kadoef, kadoef. Wind in mijn gezicht, in mijn haren. Kadoef, kadoef. Totale overgave aan het paard. De bomen die versneld aan me voorbijgaan, de geur van het bos die door de diepe ademhaling extra goed mijn neus binnendringt. We denderen verder over het pad, de bocht om. Kadoef, kadoef, kadoef. Het lijkt erop dat Monica de weg kent, of ze volgt Rik en Chandler gewoon. Die zijn in de verte nog net te zien, maar gaan nu opnieuw een bocht om. Ik begin buiten adem te raken, mijn conditie is waardeloos. Ik was vergeten hoe vermoeiend het is om in galop te rijden. Als ik ook de bocht om ben zie ik Rik weer. Hij laat Chandler stapvoets lopen, waarschijnlijk om mij weer bij te laten komen. Na een minuut of wat rijd ik naast hem.

‘Lekker hè?’

‘Heerlijk,’ hijg ik.

‘Zie je wel dat je het durfde?’

‘Ik moest wel, ik ken de weg niet,’ lach ik.

We rijden een poosje zwijgend naast elkaar. Toch voelt het helemaal niet ongemakkelijk. Ik geniet me te pletter. Ik zou bijna vergeten dat ik in die suffe kleding van zijn zus rijd. De cap is iets te ruim, de laarzen zijn een half maatje te klein en de broek is wat uitgelubberd. Kan mij het schelen.

‘Waarom heb jij je eigenlijk aangemeld voor dat comité?’ open ik het gesprek weer. ‘Ik bedoel, het is best een saaie bedoening.’

‘Zegt degene die zich ook heeft aangemeld,’ lacht Rik.

‘Maar ik heb een goed excuus! Ik ben erin geluisd door Andrea op een zwak moment. Ik had net dat hele sollicitatiegezeik met Jasmijn achter de rug.’

‘Heel herkenbaar.’ Vergis ik me, of verstarde zijn blik even? We stuiten voor het eerst op tegenliggers, twee mannen op een mountainbike. Rik gaat voorop totdat ze ons gepasseerd zijn.

‘En jij?’ herhaal ik als we weer naast elkaar rijden.

‘Ook een beetje ter afleiding,’ antwoordt hij na een korte stilte. ‘Ik moest wat omhanden hebben toen ik hier weer kwam wonen. Ik ben bijna zes jaar weg geweest, vanaf het moment dat ik ben gaan studeren. Mijn vrienden wonen hier ook niet meer, die zijn uitgewaaierd over het hele land. En dan zijn de avonden lang, kan ik je verzekeren.’

Ik zwijg. Ik kan me goed voorstellen dat hij zich stierlijk verveelt in die afgelegen boerderij. Hij kijkt me doordringend aan. Het valt me op dat zijn ogen dezelfde kleur hebben als de vacht van zijn paard. Bruin. Of beter: melkchocoladebruin.

‘Mijn vader kwam met het idee van het comité,’ gaat hij verder. ‘Sinds we hier zijn komen wonen heeft hij zich altijd erg ingezet voor het dorp, ook politiek en zo. Nu hij steeds slechter ziet en aan huis gebonden is, is het moeilijk voor hem om dat los te laten. Ik doe het dus ook gedeeltelijk om mijn vader een plezier te doen.’

‘Aardig van je. Het zal niet makkelijk zijn om zoveel verantwoordelijkheid te hebben ten opzichte van hem.’ Riks blik lijkt weer even te verstarren. ‘Ik doe het graag,’ zegt hij alleen. ‘En je zus dan?’

‘Tja, die heeft haar gezin en een drukke baan. Ze woont ook niet echt om de hoek.’ Hij strijkt door zijn haar, het kenmerkende Rik-gebaar. De pluk die hij naar achteren strijkt, valt meteen weer terug naar voren. Ik besef dat het steeds moeilijker wordt om een hekel aan hem te hebben. Eigenlijk heb ik dat allang niet meer. Niet meer sinds het gesprek in zijn auto, realiseer ik me nu.

‘Heb je al honger?’ Rik knikt naar een punt in de verte. Ik zie een houten blokhut. ‘Is dat een restaurant?’

‘Restaurant is een groot woord, maar je kunt er best lekker eten.’

*

De Zevensprong heet het, zo lees ik boven de deur, hoewel er slechts drie paden bij elkaar komen op deze plek, en geen zeven. Het lijkt op het huis van Roodkapjes grootmoeder uit mijn sprookjesboek van vroeger. Eerst binden we de paarden aan een speciaal daarvoor bestemde balk onder een afdakje. Ik volg Rik naar binnen. Het interieur ziet eruit zoals de buitenkant doet vermoeden: veel hout, kleine raampjes met rood-wit geblokte gordijntjes en een gebroken tegelvloer met her en der zand en dennennaalden. De keuken achter de bar ziet er overigens verrassend modern uit.

Het is rustig. Alleen aan een grote tafel in een hoek zit een gezelschap van waarschijnlijk wandelaars, te zien aan het praktische loopschoeisel en de overdaad aan fleecejassen. Ze groeten ons. Rik steekt zijn hand even op. Ik kies een klein tafeltje bij een raam en Rik loopt door naar de balie om alvast koffie te halen. Als ik ga zitten merk ik dat mijn billen het zwaar te verduren hebben gehad. Dat wordt fikse spierpijn morgen.

‘Leuk hier. Lekker romantisch,’ zeg ik als Rik de koffie voor me neerzet. Meteen voel ik hoe ik rood kleur. Aargh. Wat zeg ik nu weer? Dadelijk denkt hij dat ik dit als een afspraakje zie!

Gelukkig lijkt het hem niet op te vallen. ‘Mooi zo. Ik was even bang dat het misschien niet hip genoeg voor je was.’ Met twinkelende ogen kijkt hij me aan. Ik geloof dat ik zelden zulke mooie bruine ogen heb gezien. Die van Huug zijn blauw, dus dat mag ik vinden. Huugs ogen doen me altijd denken aan de lievelingstrui die ik vroeger had, een soort hortensiablauw. Ik moet hem trouwens even appen of hij vanavond mee-eet, bedenk ik nu. Ik diep mijn telefoon op uit mijn tas.

‘Zo hip ben ik nou ook weer niet, hoor,’ keer ik terug naar het gesprek. Ik steek mijn tong uit. ‘Dat zijn vooral mijn studievriendinnen.’ Rik kijkt me observerend aan, en iets te lang naar mijn zin. Ik neem een slok koffie. ‘Je hebt stof op je gezicht.’ Hij zegt het kalm en met een glimlach. ‘Jij ook hoor. En in je haar. Overal,’ kaats ik terug. Het doet me denken aan onze pesterijtjes van vroeger. Van vóór die ene pesterij, die grote, van hem.

‘Je hebt toch maar mooi in galop gereden. Zie je wel dat je best iets durft.’ Hij kijkt me grijnzend aan. Ik haal mijn schouders op. Na een korte stilte zegt hij ineens serieus: ‘Je mislukt niet, Esmée. Nooit. Ik heb je altijd bewonderd om je eigenzinnigheid.’ Ik kijk op. Meent hij dit nou? ‘Eigenzinnigheid?’ vraag ik. ‘Ja. Je was altijd zo… ik weet niet, zo lekker jezelf. Onbevangen. Je neemt jezelf niet te serieus en je doet de dingen op jouw manier.’ Hij kijkt op. ‘Je bent slim, doortastend, maar dat lijk je allemaal niet te beseffen.’

Ik denk daar even over na. Ik slim?! Doortastend? Meent hij dit nu of zit hij met me te dollen, net zoals Valerie altijd deed met haar als compliment vermomde hatelijkheden? Rik staart in zijn koffiekopje. ‘Je zou veel meer kunnen bereiken.’

‘Uh-huh. Daar denken sommige mensen toch anders over, vrees ik.’ Ik denk aan Morris. En Valerie. En Tjibbe.

‘Allemaal jaloers.’ Ineens strekt hij zijn hand naar me uit. Van schrik trek ik mijn hoofd naar achteren. ‘Sorry. Er zit een kluit zand in je haar.’ Ik kom weer naar voren en blijf stil zitten zodat hij het eruit kan halen. Zijn gezicht is heel dichtbij. Ik kan de stoppeltjes op zijn wang zien. Ik ruik zijn Dolce & Gabbana. Op zijn neus zit wat zand, net sproeten. Ik slik. Afblijven, Esmée. En niet naar die bruine ogen kijken. Denk maar aan de blauwe ogen van Huug. O ja, Huug. Ik ontgrendel het mobieltje dat ik nog steeds in mijn hand houd. ‘Even iemand appen voordat ik het vergeet. En o ja: dank je,’ voeg ik eraan toe.

*

Bijna gelijktijdig leggen we ons bestek neer. Voor een ieniemienie blokhutrestaurantje smaakte die tosti heel aardig, moet ik zeggen. Ik ga achteroverzitten en kijk nog eens rond. ‘Vroeger zag het er veel kneuteriger uit,’ zegt Rik. ‘Maar sinds vorig jaar zit er een nieuwe eigenaar in, die heeft een nieuwe keuken geplaatst en de aankleding wat gemoderniseerd.’

‘Jammer, dat kneuterige hoort wel bij zo’n locatie. Ik had dat best eens willen zien.’

‘Ik heb nog wel foto’s van de oude inrichting. Die heb ik destijds gemaakt voor de brochure.’

‘Foto’s? Ik wist niet dat je fotografeerde.’

Rik plukt aan een bierviltje. ‘Het is een hobby.’

‘Wat fotografeer je zoal?’

‘Het liefst de natuur eigenlijk. Of details in een stad die niemand anders opvallen. Maar ook mensen. Geen portretten, gewoon een oude man die de eendjes voert of zo. Mensen in alledaagse situaties.’ Hij lacht verlegen. ‘Nou ja, veel verschillende dingen dus.’

‘Klinkt interessant. Ik ben wel benieuwd.’

‘Ik kan je straks wat laten zien als je wilt.’

OVER IRIS HOUX

Iris Houx is geboren en getogen in Noord-Brabant. In 2010 begon ze met het schrijven van korte verhalen en columns. Ze publiceerde o.a. in Dagblad Metro, TPO Magazine, Viva en Esta en won diverse schrijfwedstrijden. Sinds 2013 is ze vaste columniste van Chicklit.nl, waar ze met haar humor en eigen stijl een grote groep vaste lezers aan zich weet te binden. Scoop! is haar debuutroman.

OVER SCOOP!

In Scoop! neemt schrijfster Iris Houx neemt je mee in de wereld van Esmée Evers. Esmée verhuist naar de grote stad, waar ze een baan krijgt als redactiechef. Althans, dat vertelt ze haar vriendinnen, in werkelijkheid is ze redactieassistente. Haar leugentje is lastig vol te houden als één van haar vriendinnen haar bazin wordt bij hetzelfde magazine. Wanneer een bekende tv-ster noodgedwongen moet onderduiken, krijgt Esmée de kans zichzelf te bewijzen. Ze bedenkt een plan dat niet alleen de media op zijn kop zet, maar ook haar eigen carrière, vriendschappen en relatie...

Gerelateerde onderwerpen