Dit veld is verplicht

Dit veld is verplicht

Nee bedankt

Scoop!

Deel 28: 'Dieper dan dit
kan ik niet zinken'

schrijfster

Iris Houx

V

Vorige week lazen we hoe Esmée wegvluchtte van Do's verjaardagsfeest, nadat ze uitgelachen en belachelijk gemaakt was door haar vriendinnen. De maat is vol. Koud, verdrietig en diep vernederd zit ze buiten op het trapje, wanneer de voordeur ineens open gaat. En wie hebben we daar?

Het trapje bij de voordeur van de Schaeffers is hard. De kou trekt door mijn jurkje naar mijn billen en van daaruit mijn lichaam in, maar ik voel het amper. Het regent niet meer. Er is een dichte mist voor in de plaats gekomen die de koplampen van een auto in de verte iets angstaanjagends geeft. Toch is de koude lucht prettig. Ontnuchterend. Ik adem een keer diep in. Ik voel me al minder misselijk. Of benauwd. Of jeukerig. Maar wel dom, vernederd en verdrietig. Heel verdrietig. Een traan valt van mijn kin, ik laat hem. Er zullen er vast nog meer komen, als ik eenmaal los ben is er geen houden meer aan. 

Ik haat mezelf. Ik wilde zo graag waardig blijven, een grapje maken om hen te laten geloven dat ik hun ‘humor’ kon waarderen en er verder geen woorden meer aan vuilmaken. Schouders ophalen, meelachen en verdergaan. Maar het lukte niet. Een nieuwe traan rolt naar beneden. Met trillende handen haal ik mijn mobieltje uit mijn enveloptasje om Huug te bellen, tegen beter weten in. Meestal zijn telefoons verboden op de heidagen van Ontroerend Goed! en als ik me goed herinner staat er vanavond een werkdiner op het programma. Na drie keer springt Huugs telefoon inderdaad op de voicemail. Shit. Ik begin weer te snikken.

Als ik Andrea’s nummer aan het intoetsen ben, hoor ik hoe de voordeur achter me opengaat en er iemand naar buiten komt. Een diep basgeluid klinkt door vanuit de kelder en is net zo snel weer weg. Ik recht mijn rug en probeer onopvallend de tranen van mijn wangen te vegen. Mijn telefoon stop ik weer in mijn tasje en ik maak ruimte door naar de zijkant van de trap te schuiven, hoewel deze breed genoeg is om tien mensen zij aan zij naar buiten te laten marcheren. Maar waarom loopt de persoon achter me dan niet door?

Ik schrik even als ik voel hoe er iets over mijn rug wordt gelegd. Iets warms en zachts.

‘Dacht al dat je zonder jas naar buiten was.’ Rik geeft me even een kneepje in mijn nek voordat hij naast me komt zitten. Hij kijkt me observerend aan. ‘Alles goed?’

‘Ik moest daar weg.’ Mijn stem hapert doordat ik halverwege een opkomende snik moet wegslikken. ‘Kreeg geen lucht. Dacht dat ik uit mijn jurkje knapte.’

‘Precies. Daarom kwam ik ook naar buiten. Is het al zover?’

‘Nee, het moment is weer over,’ glimlach ik door mijn tranen heen.

‘Jammer.’ Bijzonder dat Riks ogen tegelijk ondeugend en meelevend kunnen staan. Met zijn schouder tikt hij een keer tegen de mijne. Een troostende variant van het smeltlachje verschijnt.

Snel kijk ik weer voor me. Is mijn mascara eigenlijk wel water­proof? Geen idee. Hij is vast uitgelopen, zelfs waterproof is hier niet tegen opgewassen. Er zijn vrouwen die er mooi uitzien als ze huilen, maar ik ben er daar geen van. Het is heel goed mogelijk dat ik eruitzie als een diehard Kiss-fan.

‘Wil je naar huis?’

Ik haal mijn schouders op en negeer Riks vraag. ‘Ik snap het niet. Ik snap het gewoon niet.’ Ik kan er niets aan doen, maar ik begin weer te huilen. Dieper dan dit kan ik niet zinken.

Rik ademt een keer diep in en klopt dan op mijn knie. ‘Kom Esmée, trek je jas aan. We gaan.’

‘Nee! Dat kan ik niet maken. Wat zullen ze wel niet van me denken?’

‘Wat kan het jou schelen wat die trutten van je denken?’

Ondanks alle ellende moet ik lachen om die benaming. Trutten.

‘En Mei-Lan dan?’

‘Ook een trut.’

‘Hoe komt zij dan thuis?’

‘Dat zoekt ze zelf maar uit.’

Rik slaat zijn arm om mijn schouder en drukt me even tegen zich aan. ‘Ik snap niet waarom je zo tegen ze opkijkt.’

Ik haal mijn schouders op en snif nog een keer.

‘Als ik jouw verhalen zo hoor, kan die Jasmijn nog geen pizza bestellen zonder hulp en Do zou helemaal nergens zijn zonder het geld en de connecties van haar pa. Mei-Lan is misschien een uitzondering, maar aan haar had je vanavond ook niet veel.’

Ik kan er weinig tegen inbrengen. Ik snuit in de zakdoek die Rik in mijn handen heeft gedrukt en die, zo merk ik, ook naar hem ruikt.

Verdriet, schaamte en een gevoel van vernedering vechten om voorrang. Wat moet hij wel niet van me denken? Dat ik onnozel, labiel en een deurmat ben? En hoe kan ik Jasmijn, Do en Mei-Lan ooit nog onder ogen komen?! Mijn vriendinnen, die ik meende te kennen en te kunnen vertrouwen, hebben zich zomaar tegen me gekeerd. Een naar gevoel bekruipt me. Misschien hebben ze me altijd wel als een sneu geval gezien dat met hun hulp een niveau hoger getild kon worden. Een projectje. Tijdverdrijf. Simpel amusement. Ik sluit niet uit dat ze zich altijd al om mij bescheurd hebben achter mijn rug om. Maar nu ik echt hopeloos en reddeloos blijk te zijn en bovendien tegen ze heb gelogen, laten ze me vallen als een kom hete soep. Nog nooit ben ik zo hard veroordeeld vanwege een klein leugentje, en dat is ook wat ik tegen Rik zeg.

Zwijgend kijkt hij me aan.

Ik gooi mijn hoofd in mijn schoot en kreun. ‘O nee, o nee, o nee. Ik kan ze nooit meer onder ogen komen. En Jasmijn… Maandag zie ik haar weer op kantoor. O nee, o nee, o nee,’ jammer ik. ‘Maar hé,’ zeg ik dan. Ik til mijn hoofd op. ‘Misschien kan ik maandag wel thuisblijven. Als ik ziek ben of zo.’

Rik schudt zijn hoofd, ik negeer het. ‘Ja, als ik ziek ben kan ik niet werken. Snel, ik moet ziek worden! Haal bedorven voedsel. Rauwe kip! Salmonella zal me wel een paar dagen in bed houden. En haal die jas van mijn schouders, een longontsteking zou perfect zijn. Of…’

‘Esmée, relax. Doe normaal. Je gaat niet ziek worden.’

‘Wat een leven,’ ga ik door met dramaqueenen. Ik gooi mijn hoofd weer voorover. ‘En zelfs voor jong sterven is het al behoorlijk laat.’

Als ik na een tijdje overeind kom, zit Rik voor zich uit te kijken. Zijn onderarmen steunen op zijn knieën en zijn handen grijpen losjes in elkaar. ‘Het gaat helemaal niet om dat ene leugentje, dat weet je best. Jullie zijn gewoon te verschillend. Zij zijn lui en dom en alles draait om uiterlijk, geld en status. Ze zijn fake. Zo ben jij niet, althans niet diep vanbinnen. Jij hebt je eigen stijl in alles. Je carrière maak je op eigen kracht. Je bent financieel onafhankelijk en zij niet. Daarom woon je niet in een villa, draag je geen dure merken en ga je niet drie keer per jaar op vakantie. Nou en? Is dat erg?’

Als antwoord haal ik mijn neus op. Ik staar naar de verfrommelde zakdoek in mijn hand. Ik neem aan dat de vijftig euro die mijn grootouders elke maand naar me overmaken het stempel ‘financieel onafhankelijk’ niet in gevaar brengen.

‘Alles wat jij hebt, heb je eerlijk verdiend. Inclusief je carrière. Jij bent echt. Op een bepaalde manier zijn zij daar jaloers op.’

Ik maak een snuivend geluid. Mijn slaafse kantoorklus een carrière noemen is toch echt een brug te ver, maar ik snap zijn punt. Misschien zijn we inderdaad wel te verschillend, al is dat niet wat ik graag wilde horen.

‘En Mei-Lan dan?’ vraag ik. ‘Vind je haar ook fake? Zij heeft geen ouders met connecties.’

‘Mei-Lans zullen er altijd zijn. Mooi, goed stel hersens en een portie geluk. De eerste twee heb jij ook. Die portie geluk komt nog wel. Soms moet je geluk afdwingen, bijvoorbeeld door er keihard voor te werken. Vanavond heb ik met Mei-Lan zitten praten. Zij heeft het ook niet cadeau gekregen. Ze heeft avondcursussen gevolgd, ze draait veel overuren. Ze heeft lef en doorzettingsvermogen. Uiteindelijk kom je daar veel verder mee dan met geld en connecties. En het is bovendien langer houdbaar.’

Rik draait zijn gezicht naar me toe. ‘Jij hebt ook lef en doorzettingsvermogen.’

Voor het eerst hierbuiten kijk ik hem recht aan. Het kan me niet schelen dat ik er met mijn rode ogen en doorgelopen make-up waarschijnlijk uitzie als Gene Simmons in zijn hoogtijdagen. Riks gezicht is dicht bij het mijne en zijn ogen kijken me doorgrondend aan. Waar heeft hij al die wijsheid vandaan? Was hij vroeger ook al zo?

Hij strijkt een keer met de rug van zijn hand langs mijn kaak. Een siddering trekt over mijn rug en ik weet niet waarom, maar ik begin weer te snikken.

‘En voor wat het waard is: ik vond je jurkje met de cowboylaarzen erg cool. Zeker met die paarse maillot eronder.’ Hij lacht.

Ik lach terug, door mijn tranen heen. Hij weet het nog, ongelofelijk. Die maillot hebben Do en Jasmijn niet eens genoemd.

Riks telefoon gaat. Hij haalt hem tevoorschijn en neemt het gesprek aan.

Ik speel met de zakdoek en denk na. Lef en doorzettingsvermogen. Tuurlijk, dat kan ik best. Rik heeft helemaal gelijk. Vriendinnen als deze kan ik missen als kiespijn. En Hugo dan? Is hij ook fake? Nee, Hugo niet. Tussen Hugo en mij zit het goed, dat weet ik zeker. Het mag dan zo zijn dat ik hem via de meiden heb leren kennen, dat wil verder niets zeggen. Hugo en ik horen bij elkaar.

‘Jawel. Ik heb je heel vaak gebeld, maar jij negeert mijn telefoontjes elke keer,’ hoor ik Rik zeggen tegen de persoon aan de telefoon. Zijn stem klinkt heel anders dan net. Defensief, bozig.

Ik staar voor me uit. Het is nog steeds mistig, maar nu wel droog. Natte herfstbladeren liggen als een prop onder de bomen op de oprijlaan. In de verte rijdt een auto door de mist met van die ouderwetse gele koplampen.

Ik denk terug aan die keer dat Andrea de meiden voor het eerst ontmoette. Ook dat was geen doorslaand succes. Jasmijn en Do hadden haar uitgehoord over het leven in een dorp met slechts een paar honderd inwoners, haar moeders huiskamerrestaurant en de kleding die ze droeg. Andrea droeg een model spijkerbroek dat vijf jaar geleden hip was (‘Tweedehands via Marktplaats’), afzaklaarsjes die toevalligerwijze nog wel redelijk naar mijn smaak waren, maar niet echt die van de meiden (‘Geen idee, die heb ik al jaren’), en haar veelkleurige overslagvest (‘Heeft mijn nichtje voor me meegenomen uit Guatemala’). De meiden hadden er na afloop nog regelmatig om gelachen.

Rik loopt zijwaarts over de trap, een stukje bij me vandaan. Ik kijk naar hem. Zijn kaken staan gespannen en hij praat in onafgemaakte zinnen, alsof de persoon aan de andere kant zoveel praat dat hij er niet tussen komt.

‘Nee, dat is niet wat ik…’ Hij haalt diep adem. ‘Nee… Ik heb je zo vaak gezegd…’ Hij werpt een korte blik op mij en richt zich dan weer op het gesprek. ‘Ik weet niet hoe vaak ik nog…’ Het is even stil en dan zegt hij ineens een stuk harder: ‘Kom op, je weet hoe het zit. Ik heb het je uitgelegd en ik heb je meerdere keren mijn excuses aangeboden. Wat kan ik nog meer doen?’

Andrea vertelde achteraf dat ze het onvoorstelbaar vond dat mensen zoveel tijd, aandacht en geld konden besteden aan hun uiterlijk. Natuurlijk ging dat ook weer gepaard met een of andere quote, ik geloof van Marlene Dietrich, en vanaf die avond noemt ze mijn vriendinnen steevast ‘Gucci, Prada en Chanel’. Niet wetende dat Gucci, Prada en Chanel haar op hun beurt aanduiden als De Bio Big.

Rik kijkt naar beneden, waar hij met zijn voet bezig is een stapeltje natte bladeren op een hoop te vegen.

‘Ja, ik weet dat hij in de weg staat, dat heb je al vaker gezegd. Ik heb gezegd dat ik hem zaterdag op kom halen. Ben je dan thuis? Alleen? Ik bedoel: zonder Bregje?’

Vaag gesprek zeg.

‘… Tuurlijk, dat weet ik. Oké. Dag.’ Vrij plotseling breekt hij het gesprek af en stopt zijn mobieltje weg.

‘Kom, we gaan,’ zegt hij tegen mij. Hij heeft een andere toon dan daarnet en zijn blik is kil. Is hij boos? Op mij? Wie had hij aan de telefoon?

‘Alles goed?’ vraag ik.

‘Prima,’ zegt hij afgemeten. ‘Kom, we gaan.’

Ik haal mijn neus op en wrijf de zakdoek nog een keer over mijn ogen. Met de laatste waardigheid die ik bezit, probeer ik op te staan.

Rik grijpt mijn elleboog om me overeind te helpen. Mijn spieren zijn stijf van de kou. Hij pakt de jas van mijn rug en houdt hem voor me open. Ik trek hem aan.

Ondanks het hele voorval van vanavond voel ik me toch een stuk beter. Bevrijd. Lichter dan voorheen.

Rik staat nog steeds vlak voor me en kijkt me aan. Zijn ogen zijn op dezelfde hoogte als de mijne omdat hij nu een trede lager staat. Ze stralen rust uit. Zijn vreemde bui van net lijkt al weer voorbij. ‘Ben je er klaar voor?’

OVER IRIS HOUX

Iris Houx is geboren en getogen in Noord-Brabant. In 2010 begon ze met het schrijven van korte verhalen en columns. Ze publiceerde o.a. in Dagblad Metro, TPO Magazine, Viva en Esta en won diverse schrijfwedstrijden. Sinds 2013 is ze vaste columniste van Chicklit.nl, waar ze met haar humor en eigen stijl een grote groep vaste lezers aan zich weet te binden. Scoop! is haar debuutroman.

OVER SCOOP!

In Scoop! neemt schrijfster Iris Houx neemt je mee in de wereld van Esmée Evers. Esmée verhuist naar de grote stad, waar ze een baan krijgt als redactiechef. Althans, dat vertelt ze haar vriendinnen, in werkelijkheid is ze redactieassistente. Haar leugentje is lastig vol te houden als één van haar vriendinnen haar bazin wordt bij hetzelfde magazine. Wanneer een bekende tv-ster noodgedwongen moet onderduiken, krijgt Esmée de kans zichzelf te bewijzen. Ze bedenkt een plan dat niet alleen de media op zijn kop zet, maar ook haar eigen carrière, vriendschappen en relatie...

Gerelateerde onderwerpen