Dit veld is verplicht

Dit veld is verplicht

Nee bedankt

Scoop!

Deel 39: 'Ik heb Hugo heel wat uit te leggen,
maar we komen er wel uit.'

schrijfster

Iris Houx

E

Eerder lazen we hoe Esmée in een verwarde bui iets te ver ging met Rik. Gelukkig is dat via een eenregelig appje helemaal uitgesproken, en met Hugo komt het vast ook wel goed. Wachtend op een bericht van hem, pakt Esmée haar leven weer op. Alleen denkt het lot daar anders over. Shoppend met Andrea ontdekt ze opeens een bekend gezicht in de menigte. 

‘Robbert wil dus misschien investeren in mijn eigen dierenartspraktijk. Hij heeft geld genoeg, hij woont nog bij zijn moeder en heeft al die jaren kunnen sparen. Plus hij vindt het leuk om dat te investeren in een onderneming in zijn eigen Avier.’ Man, wat heeft Andrea er weer een tempo in vandaag. En dat allemaal terwijl ze ondertussen zonder hijgen hele verhalen afsteekt. 

Zoals gewoonlijk dribbel ik als een amechtige sint bernard achter haar aan. Of zij heeft een ontzettend goede conditie, of ik ben halfdood. ‘En daar komt nog eens bij dat hij dol is op dieren. Hij heeft zelf twee katten, echte perzen.’

Ik snap niet wat Andrea ziet in die vent. Ik schat dat hij zo’n tien jaar ouder is en hij is niet eens knap. Hij heeft twee perzen. Een man van 36 met ribbroeken en twee perzen die nog bij zijn moeder woont. Hoe? Waarom? Wat ziet zij dat ik niet zie? Of zou het geld zijn? Ik heb Andrea nooit gezien als iemand die veel om geld gaf, maar wie weet waartoe ze in staat is om haar droom van een eigen dierenartspraktijk te realiseren.

‘Vind je het niet geweldig?’

Ik moet lachen als ik naar het blije gezicht van Andrea kijk. ‘Ja hoor, echt leuk nieuws! Je eigen praktijk, wauw!’ Ik trek mijn sjaal dichter om mijn hals. Man, wat waait het hier op de Markt. Van die vieze, koude, gure novemberwind. Ik struikel bijna als mijn hak tussen twee kinderkopjes blijft steken. We zijn in het centrum van de stad op zoek naar een speciaal winkeltje dat outfits verhuurt voor het dorpsfeest. Andrea heeft uitgezocht hoe de klederdracht van ons dorp eruitzag door de jaren heen en daar moeten we nu op gaan lijken. Ik bevind me momenteel in een staat van zijn waarbij ik alles prima vind, zolang ik er maar niet over na hoef te denken.

‘Hij denkt ook dat ik me moet proberen te onderscheiden van andere dierenartspraktijken, dat ik een soort unique sellingpoint moet hebben, zeg maar. Dus nu denk ik aan een holistische inslag. Een dierenartspraktijk die gestoeld is op holistische principes, volgens mij is er nog geen een hier in de regio die dat doet.’ Andrea ratelt maar door. ‘En Robbert vond dat dus ook een geweldig idee!’ Ze glundert helemaal. Als ze nog ietsje meer zou stralen, zou ze met een telescoop vanuit de ruimte zichtbaar zijn. Oké. Het is dus zo duidelijk als wat dat ze tot over haar oren verliefd is op die vent. Tegen mij speelt ze nog de ‘gewoon vrienden’-kaart. Prima. Ik zit ook helemaal niet te wachten op romantisch gezwets over Robbert Ribbroek. Op geen enkel romantisch gezwets eigenlijk. Ik wilde maar dat Hugo gewoon iets van zich liet horen. Na de euforie van vanmiddag over mijn aanstaande zakenreis naar Parijs (mijn koffer staat al klaar, overmorgen vertrekken we!) bedacht ik dat het wel erg onhandig is om nu weg te zijn, met die hele situatie met Hugo en zo. Stel dat hij eindelijk reageert, dan zit ik in Parijs. Of hij komt naar me toe met een grote bos bloemen om dingen uit te praten en dan ben ik gewoon niet thuis! 

*

We zijn aanbeland bij het winkeltje, het zit in een oud pand in een zijsteegje van de Markt. Het is al bijna donker en de ouderwetse lantaarnpaal aan de overkant geeft het een soort dickensiaans uiterlijk. In de etalage staan poppen met de meest vreselijke kleding aan.

Als ik door de glazen deur naar binnen gluur, zie ik schappen tot aan het plafond, volgestouwd met frutsels, hoeden en heel veel oude, stoffige kleren. Ik begin spontaan te hoesten. ‘Ga jij maar alleen. Ik wacht hier wel.’ Het winkeltje is veel te klein om met twee personen naar binnen te gaan, zeker met al die volgestouwde tassen die we meezeulen. Ik had nog wat dingen nodig voor mijn reisje naar Parijs en Andrea heeft net een nieuw dekbed gekocht bij de Hema. Ik neem de tas van haar over en Andrea gaat naar binnen. Een belletje rinkelt en ik zie door het raam hoe er een onopvallende deur achter de toonbank opengaat, waarna er een oud mannetje met een gekke bril naar binnen schuifelt. 

Ik trek de kraag van mijn jas omhoog en schik mijn das. Hier in het steegje is het koud en tochtig en mijn maag rommelt. Het is te hopen dat ze hier hebben wat we nodig hebben, zodat we snel ergens kunnen gaan opwarmen met een broodje kroket en een cappuccino.

Tegen beter weten in check ik mijn telefoon. Niets. Om vier over twee vanmiddag heeft Huug voor het laatst zijn Whatsapp gecheckt. Ik haal diep adem en laat de koude lucht mijn longen vullen.

Lieve help, de oude man heeft nu een hele stapel kleding op de toonbank gelegd, kleren waarvan ik me niet kan voorstellen dat ik ze ooit ga aantrekken, laat staan er publiekelijk in rondlopen. Andrea pakt ze een voor een op en houdt ze keurend omhoog. Wijde jurken met een soort schort ervoor, gebreide jackjes, gekke hoofdkapjes. Ik mag hopen dat ze snapt dat meer dan de helft van die stapel niet in aanmerking komt. 

*

Bepakt en bezakt, maar in onverminderd Andrea-tempo lopen we het overdekte winkelcentrum binnen. Eindelijk. Ik ben verkleumd. Mijn tenen zijn bevroren.

Sinterklaasje kom maar binnen met je knecht galmt het door de speakers. Door alle drukte van de laatste tijd is het niet tot me doorgedrongen dat we al richting de feestdagen gaan. Zoals altijd hebben we bij ons thuis al in september surpriselootjes getrokken. Maar zoals altijd denk ik dan: ik heb nog tijd genoeg. En dat gevoel blijf ik houden tot zo’n beetje de dag vóór pakjesavond, met alle lastminutestress van dien. Elk jaar neem ik me voor om echt op tijd te beginnen. Nu ben ik nog op tijd, dit jaar kan ik het anders doen. Ineens komt er een zwaar gevoel over me heen, een lichte paniek. Hugo zou dit jaar voor het eerst meedoen. Hoe moet dat nu? Stel nu dat het niet meer goed komt tussen ons? Dan moet ik het snel aan mijn ouders vertellen. En wie maakt dan een surprise voor mijn vader? En wat gebeurt er met de surprise voor Hugo? Niet aan denken, Esmée. Het komt goed. Echt. Toch duurt het nog even voor het paniekgevoel weg begint te trekken.

En we zingen en we springen en we zijn zo blij! klinkt het kinderkoor. Bah. Hier is niemand blij.

‘De Hapsalon?’ onderbreek ik Andrea’s verhaal over emotionele en spirituele lagen van dierziekten. Met een hand vol tassen wijs ik in de richting van de broodjeszaak.

Ik heb nog niet durven vragen of Andrea wil laten zien wat ze allemaal voor ons uitgezocht heeft in die winkel. Het zijn in elk geval drie enorme tassen waarvan ik er twee draag. Eerst maar eens ergens gaan zitten met een koffie en een broodje. Ik sterf van de honger en ik moet eerlijk zeggen dat ik bijna vergeten was hoe dat voelde. Eigenlijk krijg ik sinds zaterdag nauwelijks een hap door mijn keel. Met noedelsoepjes houd ik me op de been, wat zorgde voor een halve kilo gewichtsverlies in een paar dagen, dat wel. Maar nu lijkt mijn honger terug in al zijn hevigheid. Ik heb enorme trek in een vies broodje kroket. 

*

Terwijl ik me probeer te concentreren op Andrea’s uitleg over het holisme en het opvangen van trillingen die om een dier heen hangen, ontwijk ik volle Primark-tassen, kinderwagens en een paraplu (mevrouw, we zijn binnen, hij kan ingeklapt worden). Ik vind het wel zo aardig om geïnteresseerd te zijn in haar wel en wee, ze is ook zo ontzettend enthousiast hierover, maar het kost me moeite. Holisme, straling, energielagen prent ik mezelf in. Onthouden, Esmée.

Zie ginds komt de stoomboot uit Spanje weer aan. Hij brengt ons… Ik kijk naar de menigte voor me. Voor een woensdagavond is het achterlijk druk in de stad. Mijn ogen vallen op een man in de verte die onze richting uit loopt. Zijn kapsel lijkt op dat van Rik. Jammer, het ging al een paar dagen goed met het verbannen van Rik uit mijn gedachten. Ik concentreer me weer op Andrea’s verhaal. Iets over een therapie die Lechner heet. Lechner, Lechner, Lechner. Ik vraag me af in hoeverre ik verondersteld word dit allemaal te onthouden.

‘Hé,’ zegt Andrea midden in een zin. ‘Is dat niet Rik daar?’

Mijn ogen draaien de kant op die ik bewust vermeed en… holy fok! In een reflex trek ik Andrea mee, weg van Rik die inmiddels op een meter of tien afstand is. Jezus, het is hem wél! En ik maar denken dat ik last had van selectieve waarneming.

‘Wat?! Hé, mijn tassen!’ Andrea protesteert hevig, maar ik ben sterker. Ik trek haar tussen twee enorme plantenbakken in het midden van de galerij. We passen er net tussen.

‘Ssst!’ gebied ik haar.

Andrea kijkt me vragend aan, maar ik gebaar dat ik het haar zo uitleg. We staan zijlings tussen de potten gepropt, met onze gezichten tussen de grote, overhangende bladeren. De tassen zijn er met geweld tussen getrokken en zitten bijna klem. Het is maar goed dat er alleen kleren en een dekbed in zitten. De potten zijn zo hoog dat ze tot mijn middel reiken, maar voor Andrea, die een stuk kleiner is dan ik, vormt de rand een soort natuurlijke beha. Een varenblad prikt in mijn gezicht. Hoe ik me ook draai en beweeg, hij blijft zitten waar hij zit. We moeten er raar uitzien zo, maar mensen lopen gewoon door, ze raken ons bijna aan zonder ons op te merken.

Rik is nu vlakbij. Het is niet zo heel raar dat ik hem niet herkende. Hij draagt geen spijkerbroek en ook geen hoody, maar een donkere pantalon en een wollen jas in zo’n zeemansmodel. Hij heeft nette schoenen aan en in zijn wilde haar is enige beschaving aangebracht met behulp van gel of wax. Ik moet toegeven dat dit hem ook bijzonder goed staat. Ik staar ongegeneerd terwijl hij voorbijloopt. Voor alle zekerheid laat ik mijn tassen los en leg ik een hand over Andrea’s mond, maar die schudt ze direct met een woest gebaar van zich af.

‘Esmée, wat moet dit in godsnaam voorstellen?’ vraagt ze zodra Rik buiten gehoorsafstand is. Als haar handen niet gevuld waren met tassen, had ze die zeker weten in haar zij gezet.

Een fractie van een seconde wil ik liegen, maar dat lijkt me geen goed idee. Liegen tegen Andrea is zinloos, ze komt er altijd achter en sowieso wil ik niet liegen. Ik wil eindelijk mijn verhaal eens kwijt.

Zonder haar aan te kijken begin ik: ‘Ik heb eh… Ik ben, ik bedoel…’

‘Je hebt met hem gezoend?’

‘Nou…’ Ik doe een vergeefse poging om het palmblad uit mijn gezicht te slaan. Ik schraap mijn keel. ‘Het was ietsje meer dan dat.’

Met grote ogen kijkt ze me aan. ‘Je bent met hem…?’

Ik knik langzaam.

Haar ogen worden groot. ‘Je hebt…? Echt? Wanneer? Waar?’ En als ik geen antwoord geef: ‘Maar Hugo dan? Weet hij hiervan?’

Ik vertel haar het hele verhaal. De ruzie, hoe ik bij haar langsging, maar dat ze bij Robbert zat, dat ik met Rik begon te appen en dat van het een het ander kwam. ‘Het was gewoon, hoe moet ik het zeggen? Een soort overmacht,’ vat ik samen.

‘Overmacht?’ Andrea kijkt me nog steeds met onverminderd grote ogen aan. Volgens mij heeft ze nog niet één keer geknipperd. ‘Wij noemen zoiets vreemdgaan.’

Ik ben er even stil van. De blije kinderen zingen gewoon door. Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe.

Ik zucht en sla het palmblad nog een keer uit mijn gezicht, tevergeefs. ‘Ja, tuurlijk. Dat is het ook. Ik heb Hugo heel wat uit te leggen en dat ben ik ook echt van plan. We komen er wel uit.’ En daar geloof ik nog steeds in. Hugo en ik zijn niet zomaar kapot te krijgen. Echt niet.

‘Hé, kijk,’ Andrea stoot me aan. ‘Hij staat daar nog.’

Ik trek het blad naar beneden en volg haar blik. Rik staat stil bij een restaurant, een meter of tien verderop. Het is duidelijk dat hij ergens op wacht. Of op iemand. Hij tuurt rond of hij degene al ziet. Dan verandert zijn blik van afwachtend naar blij. Een smeltlachje verschijnt en het bewijst zelfs op afstand zijn dienst, ik verweek ter plekke. Het zou me niet verbazen als hier dadelijk alleen nog maar een plasje Esmée op de grond ligt in een hoopje kleren.

Daar wordt aan de deur geklopt. Hard geklopt, zacht geklopt. Daar wordt aan de…

‘Wie zou dat zijn?’ vraagt Andrea en ik haal mijn blik met moeite van Riks lachende mond. Voor hem staat een vrouw met blond haar in een rode jas. Rik zoent haar. Ze glimlacht. Samen lopen ze het restaurant binnen. Mijn maag trekt zich samen.

Andrea wringt zich tussen de plantenbak uit. Automatisch volg ik haar, hoewel ze niet in de richting van De Hapsalon loopt, maar die van het restaurant. ‘Gewoon even kijken hoor,’ zegt ze.

Mijn gedachten zijn bij de vrouw. Wie is ze? Niet dat het me echt iets kan schelen, Rik doet maar, maar een tikje vreemd is het wel. Met die nette kleren en zo. We lopen nu langs het restaurant. Ik zie hoe Rik en de veel te knappe vrouw zich aan een tafeltje installeren. Ze heeft een mond als Angelina Jolie en van dat glanzende blonde haar dat niet geverfd is. Echt belachelijk, het moest verboden worden om zo’n mooie kleur natuurlijk blond haar te hebben dat nog glanst ook. Ik denk heel even terug aan mijn eigen haarverffiasco en moet me bedwingen om niet gillend het restaurant in te rennen en het haar uit het hoofd van de vrouw te rukken – nee dat zou raar zijn.

We zien hoe Rik iets uit de binnenzak van zijn jas haalt die hij al over de stoel heeft gehangen. Het is vrij klein en zit in cadeaupapier. Andrea staat even stil en ik ook. De vrouw kijkt eerder droevig dan blij en stopt het weg zonder het uit te pakken. Vaag zeg. Wat een ondankbaar kreng.

‘Ken je haar?’ vraagt Andrea terwijl we verder lopen.

‘Nee, nooit gezien.’

‘Heeft hij een vriendin?’

‘Weet ik veel,’ antwoord ik geïrriteerder dan ik bedoel. Ik kan er niets aan doen, maar ondanks alles voel ik me ellendig. Het stelde niets voor, dat weet ik ook wel. Ik wil niets liever dan Hugo, alleen Hugo, en zo snel mogelijk. Ik mis hem zó erg. Maar dat Rik dan hier voor mijn neus net een paar dagen na ons ahum, ménage à deux met een andere vrouw klef romantisch zit te doen, is ook weer iets te veel van het goede.

‘Nogal in your face, hè?’ vat Andrea het treffend samen. ‘Kom, we gaan wat eten.’ Ze draait zich om, maar is deze keer wel zo tactisch om aan de andere kant van de galerij te lopen, zodat we niet opnieuw vlak langs het raam van het restaurant hoeven.

Eigenlijk heb ik geen honger meer. Als je maar lang genoeg wacht, gaat de honger vanzelf over, zei mijn moeder altijd. Ze zou eens moeten weten dat ze een keer gelijk heeft gekregen. 

Over Iris Houx

Iris Houx is geboren en getogen in Noord-Brabant. In 2010 begon ze met het schrijven van korte verhalen en columns. Ze publiceerde o.a. in Dagblad Metro, TPO Magazine, Viva en Esta en won diverse schrijfwedstrijden. Sinds 2013 is ze vaste columniste van Chicklit.nl, waar ze met haar humor en eigen stijl een grote groep vaste lezers aan zich weet te binden. Scoop! is haar debuutroman.

Over Scoop!

In Scoop! neemt schrijfster Iris Houx je mee in de wereld van Esmée Evers. Esmée verhuist naar de grote stad, waar ze een baan krijgt als redactiechef. Althans, dat vertelt ze haar vriendinnen, in werkelijkheid is ze redactieassistente. Haar leugentje is lastig vol te houden als één van haar vriendinnen haar bazin wordt bij hetzelfde magazine. Wanneer een bekende tv-ster noodgedwongen moet onderduiken, krijgt Esmée de kans zichzelf te bewijzen. Ze bedenkt een plan dat niet alleen de media op zijn kop zet, maar ook haar eigen carrière, vriendschappen en relatie...