Dit veld is verplicht

Dit veld is verplicht

Nee bedankt

Scoop!

Deel 41: 'Waar ben je? Wat doe je?'
Verbaasd kijk ik naar het appje van... Rik?!

schrijfster

Iris Houx

E

Eerder lazen we hoe het Esmée eindelijk eens meezat: ze mocht naar Parijs op reportagereis! Maar dan wel samen met Jasmijn, die door Parijs raast alsof ze een bucketlist heeft af te werken. Esmée kan haar amper bijhouden. Ergens in een steegje tijdens hun zoektocht naar een stokbrood, krijgt Esmée een vreemd appje binnen.

‘Stokbrood. Gewoon een stokbrood. Hallo, dat is toch niet te veel gevraagd?’ Jasmijn beent voor me uit door de straten van Parijs alsof ze onderweg is naar een lastminutesale van Louis Vuitton. Onder dwang heb ik me mee laten sleuren uit onze gedeelde hotelkamer (je werkt dan wel bij Go Glam!, maar een eigen kamer tijdens een reportagereis: ho maar), want mevrouw moest en zou een stokbrood eten nu ze in Parijs was. 

Ze is al geflipt vanaf het moment dat we in het vliegtuig stapten. Nooit geweten dat ze vliegangst had. Ze klom zowat in me toen we opstegen, had een kotszakje nodig om in te hyperventileren en toen ze eindelijk weer wat gekalmeerd was, werd de landing ingezet en begon het hele verhaal opnieuw. Als een angstig kind klom ze op mijn schoot. Handen voor het gezicht, hoofd schudden, gillen, de hele rataplan. Ik moet zeggen dat ik erg opgelucht was dat Jasmijn en ik weer normaal tegen elkaar deden, maar dit was ook weer te veel van het goede. De leuke man met het volle haar naast ons verloor direct zijn eerder nog uitgebreid getoonde interesse in zowel Jasmijn als mij. Het stopte alleen niet toen we geland waren. Zodra ze haar telefoon weer aanzette, begon het gestress van voren af aan. Voor iemand die een uurtje haar telefoon niet had gecheckt, had ze belachelijk veel ­voicemails en appjes. Opnieuw raakte ze helemaal opgefokt. Ze vloekte, siste en mompelde dingen in zichzelf als: ‘Jahaa, ik kan niet heksen zeg’, ‘Jezus, ik zou willen dat ik haar nooit had leren kennen’ en een geagiteerd zingend ‘Het gaat heus niet sneller als je me de hele tijd sta-halkt!’. Totdat ze dus opeens zo’n vastberaden blik in haar ogen kreeg nadat we onze koffers hadden uitgepakt en zich vastbeet in het idee van een kakelvers, Parijs’ stokbrood. Je zou bijna denken dat het om een weddenschap ging of een item van haar bucketlist. 

*

Gedwee ren ik achter haar aan, dat is nu gewoonweg het makkelijkste. Logisch nadenken gaat al lastig, laat staan dat ik ook nog recalcitrant kan gaan doen. Ik heb nauwelijks geslapen vannacht en om halfzes moest ik al weer uit de veren. Ik voel me een wandelende zombie zonder hersens, te murw om ook maar ergens tegenin te gaan. En lopen geeft een bepaalde rust in mijn hoofd, merk ik nu. Nu snap ik die geschifte man bij ons in de stad die de hele dag dezelfde rondjes loopt. Alleen mompelt hij er nog bij. 

Toen ik Andrea gisteren belde – verdrietig, gefrustreerd, ja, ik durf gerust te zeggen: compleet hysterisch – was zij degene die me uiteindelijk wist te kalmeren. Alles zou goed komen. Zoals het een echte vriendin betaamt, begon ze er niet over dat ik natuurlijk net zo fout was geweest als Huug, of over karma waar ze altijd zo graag mee rondstrooit. Ik hou van haar. Ze herhaalde ‘Het komt wel goed’, net zo vaak tot ik het bijna begon te geloven. We kwamen tot dezelfde conclusie: ik kon mijn trip naar Parijs niet laten schieten. Dat het dan twee dagen langer duurde eer ik met Hugo kon praten, dat moest dan maar. ‘Tuurlijk. Het is frustrerend,’ zei Andrea. ‘Maar zie het zo: “If it’s meant to be, it will be”.’ Het was voor het eerst dat zo’n quote echt bij me binnenkwam. Er zat wat in. Inderdaad, wat zouden twee dagen nou uitmaken? Oké, hij kon een paar keer vaker met Anouk wippen, maar hij zou haar ook eerder beu zijn. En wachten zou het verlangen alleen maar groter maken. Als Hugo en ik bij elkaar hoorden – en daar was ik van overtuigd – dan zou het wel goed komen. Tenminste, dat dacht ik gisteren dus allemaal. Ondertussen heeft de twijfel allang weer toegeslagen. 

*

Hoe vreemd het ook klinkt: midden in Parijs, de hoofdstad van het land van wijn, knoflook en stokbrood, is nergens een baguette te bespeuren. We lopen vanaf Opéra het achtste arrondissement in, een doolhof van chique straten met statige huizen, verbonden door gewelfde doorgangen. Links en rechts struikelen we over de merkwinkels. Chanel, Hermès, Valentino, Louis Vuitton, allemaal hebben ze hier een filiaal, vele al in kerstsfeer. Fransen doen natuurlijk niet aan sinterklaas, die stomen meteen door naar het echte werk. En dan de mensen die we tegenkomen; ze zien er stuk voor stuk uit alsof ze rechtstreeks van de cover van Vogue zijn gestapt. Soms stop ik even voor een foto, om daarna weer snel meegesleurd te worden door Jasmijn. Vreemd dat juist zij geen aandacht heeft voor al deze winkels. Maar oké, ze is dan ook een Vrouw met een Missie, blijkbaar. Missie Stokbrood.

Het wordt me langzaam duidelijk dat het een wonder mag heten dat ik überhaupt een hotelkamer in deze wijk heb weten te vinden met dat armetierige budget van Morris. De belangrijkste vereiste was dat het in de buurt lag van het Le Grand, het hotel van het bruidspaar. Vanmiddag vindt daar ons interview plaats en vanavond nog een algemeen persmoment. Dat is me mooi gelukt. Een gedeelde kamer in een tweesterrenhotel in een dubieus zijstraatje met een hond in de keuken en een tapijt dat naar kots ruikt, dat wel. En toen ik na mijn douche op zoek was naar een föhn, greep ik in een beduimeld pornoblaadje boven op de kast. Maar toch. We zitten vlak bij het hotel van het bruidspaar én we kunnen zeggen dat we in een van de chicste wijken van Parijs logeren.

Een klein nadeel van dit episch centrum der luxigheid is dat er nergens een doodgewone bakker te vinden is, al vraag ik me af of Jasmijn dat doorheeft, want ze is voornamelijk bezig met haar telefoon. Als er weer een bliepje klinkt, kijkt ze nerveus op het schermpje.

‘Jij,’ hijgt ze, terwijl ze onverminderd hard blijft doortikken op die hoge hakken van d’r, hoe houdt ze het vol? Ook al lijk ik tussen al die nouveau riche waarschijnlijk een totale couturekamikaze, ik ben blij dat ik sneakers aanheb.

‘Ik? Nee hoor, ik heb je niet geappt. Waarom zou ik je in godsnaam appen, ik loop een halve meter achter je. Ik kan bijna…’

‘Neehee. Het was jóúw telefoon, niet de mijne.’

O. Ik wrik mijn arm los en grabbel in mijn tas. Mijn hart verraadt hoe spannend ik het vind. Ik hoop zo dat het Hugo is. Alsjeblieft, laat het Hugo zijn. En een leuk bericht. Dat hij van me houdt, dat hij me mist als een regenboog op een droevige dag, dat hij spijt heeft en morgen bij me terugkomt en dat we gewoon gaan samenwonen en dat alles vergeven en vergeten is. Bovendien: het kan helemaal niet uitgaan, we hebben net een huurcontract voor een jaar getekend. Ik krijg elke keer een paniekscheut als ik daaraan denk. Nu weer. Wat als…? Néé. Alles komt goed. Andrea zei het ook. 

Waar ben je? Wat doe je? lees ik. Ik knipper een keer met mijn ogen. Het komt niet van Hugo, maar van Rik. Ik kijk verwonderd naar mijn telefoon. Rik? Ik moet hardop lachen, wat me op een geïrriteerde blik van Jasmijn komt te staan. Wat een raar bericht. Is het wel voor mij bedoeld?

Een lach borrelt in me op. Waar ben je? Wat doe je? Waar slaat dat op?!

Terwijl ik moeite doe Jasmijn te blijven volgen in het steeds veranderende stadslandschap, typ ik met lichte trots: In Parijs.

Haha. Nee serieus. Waar ben je? appt Rik direct terug.

In Parijs, echt!

Parijs, oh la la. Cité d’amour…

O, help. Hij denkt natuurlijk dat ik hier romantisch zit te wezen met Huug.

Ben hier met Jasmijn haast ik me te typen. Ik bots zelfs bijna tegen haar op als ze ineens stilstaat.

Ze is op zoek naar een stokbrood.

‘Kijk, hier! Mini-marché Coccinelle. Ze leest het langzaam hardop voor vanaf de gevel en spreekt het uit als kokkienellie. ‘Hier zullen ze wel stokbrood verkopen.’

Als ik opkijk zie ik een klein kruidenierswinkeltje met een ietwat desolate aanblik. De letters op de gevel zijn vaal, de ramen zien er niet bepaald uit alsof ze onlangs nog een sopje hebben gehad en voor zover ik erdoorheen kan kijken, lijkt slechts de helft van de schappen gevuld. Ik vraag me af hoe we zo snel van een van de duurste wijken van Parijs in deze straat beland kunnen zijn. Ik kijk om me heen en zie een Parijs zoals ik het me altijd in gedachten voorstel: smalle straatjes met ouderwets groene lantaarnpalen, auto’s die bumper aan bumper geparkeerd staan en ietwat verzakte huizen met kleine balkonnetjes en louvreluikjes. Aan de overkant is een snoezig bistrootje dat zo als decor zou kunnen dienen voor een arthousefilm. Charmant, nostalgisch en een beetje smoezelig.

Mijn telefoon maakt weer geluid.

Jasmijn? Ben je voor je werk in Parijs?

Oui.

En ze zoekt stokbrood?! Codetaal of echt?

Ik struikel over het opstapje als Jasmijn me de winkel in sleurt. Ondertussen typ ik:

Non. Echt stokbrood. Waarschijnlijk zo oud mogelijk, zodat ze mij er knock out mee kan slaan.

Als het even stil blijft, typ ik erachteraan: Zijn hier voor reportage over een celebritybruiloft.

‘Stokbrood!’ mompelt Jasmijn. ‘Stokbrood, stokbrood, stokbrood. Waar?’ We lopen door een smal gangpad tussen halflege schappen met her en der wat artikelen: Pringles, ingeblikte witte bonen in tomatensaus (jakkes), diverse soorten chocolade. Verder ruik ik vooral kaas. Oude, belegen, Franse schimmelkaas die volgens mij nog over datum is ook. ‘Hoe moeilijk kan het zijn?’ mompelt Jasmijn. ‘Gewoon een stokbrood. We zijn in fokking Parijs. Ze zouden hier op elke straathoek stokbroden moeten verkopen. Wat zeg ik? In elk… Ah, madame!’ Als ik mijn ogen van mijn mobieltje afwend, zie ik dat de mevrouw van de winkel ons een soort van de weg verspert met haar enorme lijf in een blauw keukenschort. Ze heeft grijs haar en een nogal grote tache de beauté op haar wang met een paar stugge, zwarte haren erin.

En alweer bliept mijn telefoon.

Wie?

Opgelucht dat ons gesprek nog niet is afgelopen, typ ik: Kan ik niet zeggen. Top secret. ;-)

‘Pain!’ roept Jasmijn tegen de vrouw. Ze klinkt uitzinnig. ‘Je eh… chercher la pain!’

Jammer. Heeft Jasmijn ondertussen al haar ‘stokbrood’? vraagt Rik.

Ik lach hardop. Zit nog weinig schot in, hoewel we nu toch echt in een supermarktje staan.

Spannend. Houd me op de hoogte.

‘La pain!’ roept Jasmijn nog een keer. De frustratie druipt van haar stem. ‘Nom nom nom!’ Ze doet haar handen uit elkaar en bijt in de ruimte ertussen.

Jasmijn imiteert een stokbrood, typ ik.

Hahaha! Weet je echt zeker dat het geen codetaal is?

De vrouw lijkt Jasmijn maar niet te begrijpen. ‘Alors, vous désirez un lapin?’ vraagt ze twijfelend.

‘Oui! Oui!’ roept Jasmijn extatisch, blij dat Madame Coccinelle haar lijkt te begrijpen. ‘Un la pain!’

De vrouw haalt haar schouders op en duwt Jasmijn enigszins vriendelijk aan de kant. Ze sjokt naar een vriezer achter in de winkel, buigt zich hijgend voorover, rommelt wat in de bak en houdt dan een konijn omhoog. ‘Voilà! Un lapin!’ zegt ze triomfantelijk.

Ik proest het uit, maar probeer dat uit respect voor Jasmijn zo zachtjes mogelijk te doen, waardoor ik het idee krijg dat mijn hoofd implodeert.

Ze heeft zojuist in haar beste Frans om een konijn gevraagd, typ ik naar Rik. En gekregen. Ingevroren.

Grandioos. Zou willen dat ik erbij was.

Ik grinnik. Dat zou ik ook best willen. We zouden zeker lol hebben. Ik vraag me even af wat zijn vriendin zou vinden van dat geapp van hem met andere vrouwen. Toen ik deze week eens op zijn Facebookprofiel keek zag ik ‘Het is ingewikkeld’ staan bij zijn relatiestatus. Zou hij haar verteld hebben van zijn misstap met mij?

‘Non, non, non!’ kreunt Jasmijn. Ze blijft haar hoofd schudden. Ik ben bang dat ik zo meteen op zoek kan naar een defibrillator en daar heb ik nu echt de kracht niet voor.

Ik kuch. ‘Excusez madame,’ richt ik me tot de vrouw. ‘Ce qu’elle veut dire tout simplement c’est qu’elle souhaite un pain. Ou une baguette, un flûte ou une ficelle… C’est egale. Pas de lapin, mais du pain.’

Jasmijns ogen ploppen bijna uit haar hoofd als ze me aanstaart. 

Er breekt een brede lach door op het gezicht van de vrouw. Ze schatert het uit en binnen een seconde hou ik van haar. ‘Du pain! Mais bien sûr!’ En ze loopt door naar de kassa waar we tot nu toe nog niet gekomen waren en haalt uit een smalle rieten mand het laatste stokbrood.

‘Alors, voici: du pain. Et pour vous, c’est gratuit!’ Ze knipoogt naar mij.

‘Wat zegt ze?’ fluistert Jasmijn terwijl ze naar de vrouw blijft staren.

‘Je krijgt het gratis. Bedank haar maar,’ zeg ik.

‘Merci, merci, merci!’ doet Jasmijn terwijl ze het brood van de vrouw aanneemt en aan haar borst drukt. Ze vouwt haar handen vroom in elkaar en buigt een paar keer. ‘Merci, merci!’

*

‘Jezus, Esmée,’ begint ze als we buiten zijn. Ze loopt nu naast me met het stokbrood onder haar arm geklemd en een verbeten blik op haar gezicht. ‘Had je niet eerder kunnen zeggen dat je vloeiend Frans spreekt?’

Ik murmel wat bij wijze van antwoord, maar mijn gedachten zijn eigenlijk al weer bij mijn appgesprek.

Het is gelukt. We hebben een stokbrood.

Ah, gelukkig. Bevroren konijn met Boursin eet zo lastig.

Ik lach.

‘Met wie ben je toch de hele tijd aan het appen?’ Jasmijns rode konen van agitatie vanwege het konijn-stokbrooddebacle zijn nog niet helemaal weggetrokken.

‘Kan ik beter aan jou vragen.’

Ze negeert mijn opmerking. Het is even stil. Dan zegt ze overdreven geanimeerd: ‘Zo, nu nog een goede rode wijn en een lekker kaasje.’

Pardon? Had ze dat net niet meteen in dezelfde winkel kunnen kopen?!

‘Want echt, de geur die daar om de kazen heen hing was echt niet te harden,’ voegt ze eraan toe.

Kom me redden! Ze wil ook nog wijn en kaasjes, typ ik.

Momentje. Eerst mijn superheldencape omknopen. Geef me even je coördinaten door.

LOL. En dan: Wat ben jij eigenlijk aan het doen?

Werk vandaag thuis. Lig lekker met mijn laptop op bed. 

Ik stel me Rik voor op zijn bed. Ontbloot bovenlijf, slank maar gespierd. Het dunne streepje donshaar dat van zijn navel naar beneden loopt. Pfoe, ik zou best zijn laptop willen zijn. NEE! Fout, fout, fout! Snel probeer ik dat beeld te vervangen door eentje van Hugo. Snel Esmée! Denk Hugo! Hugohugohugo! Ik krijg een beeld door van een Hugo die met een aangeschoten blik en een glas bier in zijn hand ‘Geduld, meisje. Geduld’ wauwelt. Het werkt nog niet echt. Ik doe mijn ogen weer open: Rik. Fout. Snel weer dicht. Hugohugohugo. Nu krijg ik een Hugo die boos mijn woonkamer uit stampt. Bah.

Ik heb gewoon kleren aan hoor. ;-) appt Rik, alsof hij mijn gedachten kan raden. Het plagende lachje kan ik er zelf wel bij denken en ik word knalrood. Godzijdank is dit geen Skype-gesprek.

Fijn voor je, maar daar dacht ik niet eens aan.

Nee, vast niet. ;-)

*

Om drie uur ’s middags zijn we eindelijk terug op onze hotelkamer, nadat we in een andere vunzige supermarché kaas en rode wijn hebben gescoord en op zoek zijn gegaan naar de Eiffeltoren, want o ja, dat was ze me vergeten te vertellen: dat stokbrood met kaas en wijn moest natuurlijk wel onder de Eiffeltoren gegeten worden (in november!). Ik stort voorover op mijn bed, nou ja: ons bed, want voor dit budget mogen we gezellig samen in een tweepersoonsbed liggen. Gelukkig hebben we ieder nog wel ons eigen dekbed. Om vijf uur hebben we een interview met Kiona en hopelijk ook Jay-Nay (maar dat is nog onduidelijk), dus een klein powernapje kan er wel vanaf. Ik ben kapot. Fysiek en emotioneel. Mijn lichaam is zo moe dat het zichzelf niet meer overeind kan houden en met mijn geest is het eigenlijk hetzelfde. Het voelt alsof ik in een achtbaan zit. In het begin was het nog leuk en spannend, maar ondertussen ben ik echt misselijk. Heel misselijk.

Het enige wat ik wil is eruit. Ik zou willen dat alles weer was zoals vóór de achtbaan. Een normale verstandhouding met Jasmijn en de andere meiden, Valerie als bazin neem ik er dan wel bij. Mijn relatie met Hugo zoals hij was, zonder tussenkomst van ene Rik. Alles behalve dit vermoeiende, enerverende, gekmakende gedoe. De leugens, de kantooroorlog met Jasmijn, het vreemdgaan. Nog steeds weet ik trouwens niet waarom Rik me vanuit het niets appte. Veel kans om hierover na te denken krijg ik niet, want alles vervaagt zodra mijn hoofd het kussen raakt. 

Over Iris Houx

Iris Houx is geboren en getogen in Noord-Brabant. In 2010 begon ze met het schrijven van korte verhalen en columns. Ze publiceerde o.a. in Dagblad Metro, TPO Magazine, Viva en Esta en won diverse schrijfwedstrijden. Sinds 2013 is ze vaste columniste van Chicklit.nl, waar ze met haar humor en eigen stijl een grote groep vaste lezers aan zich weet te binden. Scoop! is haar debuutroman.

Over Scoop!

In Scoop! neemt schrijfster Iris Houx je mee in de wereld van Esmée Evers. Esmée verhuist naar de grote stad, waar ze een baan krijgt als redactiechef. Althans, dat vertelt ze haar vriendinnen, in werkelijkheid is ze redactieassistente. Haar leugentje is lastig vol te houden als één van haar vriendinnen haar bazin wordt bij hetzelfde magazine. Wanneer een bekende tv-ster noodgedwongen moet onderduiken, krijgt Esmée de kans zichzelf te bewijzen. Ze bedenkt een plan dat niet alleen de media op zijn kop zet, maar ook haar eigen carrière, vriendschappen en relatie...