Dit veld is verplicht

Dit veld is verplicht

Nee bedankt

Scoop!

Deel 59: '3, 2, 1...
En daar is het smeltlachje'

schrijfster

Iris Houx

V

Vorige week lazen we hoe Esmée zich met haar vrienden in het wilde dorspleven stortte. Allemaal leuk en aardig, maar ondertussen zit de 'bedenkweek' van haar en Hugo erop, en zal er eens stevig gepraat moeten worden. Gelukkig is Esmée heel zeker van haar zaak. Maar wacht, wie komt daar nu aan lopen?

Kiona heeft echt de tijd van haar leven, het is geweldig om te zien. Ook haar zal ik straks missen. Nee, het zal niet makkelijk zijn weer terug te gaan naar mijn gewone leventje.

Ze moest hard lachen toen ze de ‘feesttent’ zag. Gewoon een grote witte tent op het dorpsplein, met houten vlonders, taptafels en bier in plastic bekertjes. Maar ze vond het geweldig. Ik heb zelden iemand zo gelukkig gezien en stiekem word ik zelf ook best gelukkig van ons jaarlijkse dorpsfeest. Geen idee waarom ik me altijd zo moet afzetten tegen dit gehucht, want het heeft ook leuke kanten.

Net als het biergooien is het verkleden door de jaren heen een vast element geworden. Wij van de organisatie dragen volgens voorschrift deze keer allemaal een (poging tot) lokale klederdracht, maar voor de rest heeft niemand zich aan die dresscode gehouden. Ik zie een jongen in een zwartepietenpak, een politie-agente en iemand die verkleed is als een grote puntzak frites. De tent is echt propvol. De hangtafels aan de zijkanten zijn niet meer te zien door de menigte en in het midden wordt wild gedanst. Best redelijke muziek tot nu toe trouwens. Het maakt hier niet uit wie je bent, wat je studeert of waar je werkt, het feit dat we allemaal uit Avier komen verbindt ons en dat geeft een vertrouwd gevoel. Ook al zou ik nooit ergens bij horen, ik hoor altijd bij Avier.

Ik zie ook mijn broertje binnenkomen met een groep vrienden. Ondanks hun achterlijke verkleedkleren herken ik hem meteen. Ze zijn horrorbruiden. Het ziet er niet uit, vijf grote mannen in een met bloed besmeurde bruidsjurk en uitgelopen oogmake-up. Maar het is echt iets voor hen. Vorig jaar waren ze als de cast van Pulp Fiction. Als Mats me ziet steekt hij zijn hand op. Bijna gelijktijdig krijg ik een klap op mijn schouder en voel ik er iets nats op neerkomen. Als ik omkijk staat daar Martijn, een jeugdvriend van ons ‘biebclubje’. De bibliotheek was vroeger op vrijdagavond altijd tot negen uur geopend, en dat was ook het enige wat er op vrijdagavond of überhaupt de hele week in Avier te beleven was, dus daar kwamen we met wat jeugd bij elkaar. Ik heb hem in geen jaren gezien, maar hij is niets veranderd. Hij houdt zijn bekertje bier omhoog en automatisch proost ik er met het mijne tegenaan. ‘Jij zit in de organisatie, of niet? Goed feest!’ roept hij als ik beamend knik, hoewel ik niet echt bij de feestavond betrokken ben geweest natuurlijk. Ben trouwens benieuwd wie er nu gaat optreden vanavond. Ik wil het net aan Andrea vragen die al de hele avond in een hoek met Robbert staat te praten en die op zijn beurt heftig knikt bij alles wat ze zegt, maar dan krijg ik Rik in beeld en blijft mijn blik op hem hangen. Hij is samen met Kiona een soort van horlepiep aan het dansen, ook met een biertje in de hand. Dansende mannen zijn vaak een afknapper, maar voor Rik gaat dat niet op. Helaas. Hij ziet er sowieso geweldig uit met die kleren en dat sikje. Mijn ogen blijven hem volgen, of ik wil of niet. Ik denk aan die ene avond, die ene dans van ons. Ik kan er niets aan doen, ik denk er nog zo vaak aan. En aan wat er daarna gebeurde. En soms, heel soms, denk ik wel eens aan wat had kunnen gebeuren als Hugo er niet was. Als ik geen relatie zou hebben en Rik ook niet. En als hij gewoon… niet Slicky Rikky was.

Waarschijnlijk staar ik iets te lang, want hij kijkt nu mijn kant uit. Snel draai ik mijn hoofd weg. Ik gooi mijn bier achterover en draai me om. Tijd om af te koelen. Ik loop de tent uit, naar buiten.

*

Het muurtje bij het gemeentehuis is koud aan mijn kont. Ik schuif verder naar achteren en laat mijn benen bungelen. Ik adem diep en moet dan bijna hoesten van de koude buitenlucht. Lekker. Even afstand. Even weg. Rik en Kiona amuseerden zich prima, Andrea en Robbert ook. Wie heeft mij nodig? Ah nee, stop Esmée. Stop met dat zielige gedoe. Het is allemaal je eigen schuld.

Soms zijn er van die momenten dat ik het gewoon allemaal niet meer weet. Wat ik wil, wat ik voel, waar ik eigenlijk naar onderweg ben. Momenteel lijkt alles zo tegenstrijdig in mijn hoofd. Wat wil ik nu echt met Hugo en mij? Wil ik dat het weer goed komt tussen ons omdat het vertrouwd voelt? Of omdat ik bang ben om alleen te zijn? Omdat ik het als een afgang zie als het zou eindigen? Omdat ik het haat om te falen? Ik faal namelijk al op zoveel gebieden.

De begintonen van een nieuw nummer klinken uit de feesttent en iedereen begint te gillen. Ik trek mijn telefoon tevoorschijn. Ik moet er een hele toer voor uithalen, want hij zit in mijn spijkerbroek en daar draag ik die lelijke jurk nog overheen. Bijna val ik van het muurtje.

Ik moet vanavond nog een paar dingen doen, zoals Hugo bellen. Misschien. Denk ik. Ik weet niet waarover, maar ik denk dat ik hem moet bellen. Vanavond is onze ‘bedenkweek’ namelijk voorbij en zouden we elkaar weer zien. En het gekke is: ik weet het allemaal niet meer. Ik twijfel opeens aan alles. Dat is pas sinds een kwartier, maar het gevoel is heel sterk. Misschien moet ik er gewoon nog een extra nachtje over slapen. Ik denk sowieso dat ik vanavond te moe ben om nog naar hem toe te gaan. Wie weet hoe laat het feest is afgelopen en wanneer we klaar zijn met opruimen en alles. Het is beter om even te bellen of hij morgen ook kan. Een dagje kan er nog wel bij.

Een angstig voorgevoel bekruipt me zodra ik zie dat ik een voicemail heb. Een voicemail, van wie? Hugo? Jasmijn misschien? Ze zal woedend zijn en dat zal ze me willen laten weten. Terecht. Ik hoop voor haar dat Morris en zijn makkers haar niet te stevig aangepakt hebben.

Tot mijn verbazing is het de stem van Morris die ik hoor. Hoe komt hij überhaupt aan mijn privénummer?

‘Esther, met Morris. Waar zit je?’ klinkt het afgemeten. Jezus, alsof het hem aangaat waar ik buiten werktijd uithang. Zeker op dit moment, bedenk ik als ik naar mijn idiote jurk kijk, beter van niet. ‘Ik wil je morgenochtend direct spreken. Er zijn nog wat zaken waarover ik je aan de tand wil voelen. Laat me weten of je er bent, dan kan ik de rest ook informeren.’

De rest? De rest?! Wie is de rest? Wat is hij van plan? Mijn hoofd op een hakblok? Word ik voor het gerecht gesleept? Is er onvoldoende bewijs of heeft Jasmijn zich eruit weten te kletsen en denkt Morris nu nog steeds dat ik over de rug van Jasmijn promotie wil maken? O, help. Ondanks de kou breekt het zweet me uit. Zou ik op mijn sodemieter krijgen omdat ik Go Glam! in gevaar heb gebracht? Als ik niet aan Jasmijn had verklapt waar Kiona zat maar rechtstreeks naar Morris was gegaan, was die scoop natuurlijk nooit bij Valerie terechtgekomen. En met mijn poging tot ontmaskering van Jasmijn heb ik uiteraard ook weer een risico genomen. Het interview had via een andere weg tóch bij Valerie kunnen belanden. Misschien vond Morris mijn artikel waardeloos en wil hij me dat laten weten? O god. ‘Aan de tand voelen’, dat klinkt onheilspellend. En ‘de rest’ betekent vast dat het serieuze shit is. Serieus genoeg om me te ontslaan in het bijzijn van iemand van personeelszaken misschien?

Ik luister het bericht opnieuw. Morris klinkt nors. Maar zo is hij wel vaker. Kortaf ook. Er valt gewoon heel weinig uit af te leiden. Ik kan hem terugbellen en vragen waar het precies over gaat, maar echt alles in me verzet zich daartegen. Morris spreken in het weekend, nog meer shit over me heen. Ik wil het niet weten.

Ik app terug: Ben er maandag, halfnegen, en ik ga proberen er verder niet meer aan te denken. Zuchtend stop ik mijn mobiel weg.

Bij de ingang van de tent is het nu druk, er willen nog meer mensen naar binnen. Ik moet zo ook maar eens terug, het wordt te koud hier. Ik zie hoe iemand zich losmaakt uit de groep. Een lang, slank iemand. Het is Rik. Met opgetrokken schouders steekt hij relaxed het grasveld over, zijn ene hand in zijn broekzak, in de andere heeft hij een bekertje – ongetwijfeld met bier. Het lijkt wel of hij mijn kant op komt. Hoopvol begint mijn hart een slagje sneller te kloppen. Hij kijkt nu naar beneden, wat me de kans geeft hem te bekijken. Dat loopje, ik zou het kunnen dromen. Hoe zit het eigenlijk met Hugo, heeft die een typisch loopje? Niet echt, geloof ik. Rik steekt de straat over. Yep, hij komt naar me toe.

‘Hé Smeetje. Waar ben je? Wat doe je? Jij zegge!’ Het laatste zinnetje zijn we er later aan toe gaan voegen.

Een aanzet tot een smeltlachje verschijnt. Ik wacht en tel. Drie, twee, één… En check, daar is hij. Compleet met kuiltje en cool sikje. Ik glimlach zo breed dat ik mijn mondhoeken voel trekken.

Hij zet het halfvolle bekertje op het muurtje en gaat dan zonder iets te vragen naast me zitten. Zijn handen steekt hij in zijn zakken. ‘Alles goed?’

Ik staar naar onze bungelende voeten. ‘Ach.’ Ik zucht. ‘Hier, luister eens.’ Ik ga op zoek naar mijn telefoon en kukel opnieuw bijna van het muurtje.

‘Wat doe je?!’ Hij grijpt me bij mijn pols.

Ik ontgrendel mijn telefoon en roep het voicemailbericht op. Dan druk ik het toestel tegen zijn oor. Rik luistert terwijl ik probeer zijn uitdrukking te interpreteren, maar eigenlijk kan ik alleen naar die prachtige dikke wimpers staren en me afvragen hoe een man in godshemelsnaam zulke mooie wimpers kan hebben. Helaas is het een kort bericht en laat Rik al snel zijn arm weer zakken. Hij kijkt me aan.

‘Vaag.’

‘Hm. Dacht ik ook.’

‘Laat je niet van de wijs brengen,’ zegt hij dan. ‘Lef en doorzettingsvermogen, weet je nog? Blijf bij je plan. Niet twijfelen. En zeker niet aan jezelf.’ En na een korte pauze vervolgt hij, zachter: ‘Je bent de beste Esmée, dat weet je.’

Ik slik, maar kan niet voorkomen dat de tranen in mijn ogen springen. Fak, zit ik weer bijna te janken. Hoe kan dat toch? Er moet een causaal verband zijn tussen Rik en janken. Elke keer in de afgelopen tijd dat ik moest huilen – en geloof me, dat doe ik doorgaans niet vaak – was Rik aanwezig. Eigenlijk alle ellendige momenten: inclusief Rik. Vroeger al. Ik denk aan het feest van Lisa, waar hij me zo vernederde. Het feest van Do, drama! Die avond dat ik ruzie had met Hugo (oké, die telt niet helemaal…). Het telefoongesprek van afgelopen week. Nu.

Ik dep mijn ogen met een mouw. ‘Je zult wel denken dat ik alleen maar kan janken.’

‘Nee hoor. Ik ken je toch al langer.’ Hij kijkt me van opzij aan. ‘Weet je, ze zeggen dat je je alleen laat gaan bij mensen bij wie je je op je gemak voelt. Dus ach, ik zie het maar als een compliment.’ Hij grijnst. Dan haalt hij zijn handen uit zijn zakken en springt van het muurtje.

‘Ik houd je even vast, oké?’

Gewoon, zo: ik houd je even vast. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Voordat ik dit bericht van mijn oren naar mijn diepere hersens kan doorspelen, komt hij al voor me staan en legt heel voorzichtig zijn armen om me heen. Terwijl ik nog bijkom van de verbazing, maakt mijn hart een gigasprong van de hoogste duikplank, met halverwege een dubbele schroef. Langzaam trekt Rik me tegen zich aan. Ik nestel mijn hoofd tegen zijn borst en neem alles goed in me op, het kan tenslotte de laatste keer zijn. Zijn geurtje, de borstspieren die door zijn ademhaling op en neer gaan. Ik zou uren zo kunnen zitten. Dagen. Altijd. Ik schuif wat verder naar voren en geniet hiervan alsof er niets of niemand anders bestaat. Geen Hugo, geen Anouk of die blonde lellebel van Rik. Gewoon helemaal geen andere mensen. Nergens.

Rik beweegt zijn hoofd. Voelde ik dat nu goed, gaf hij me een kus in mijn haar? Ja, ik weet het zeker, hij kuste mijn haar. Daarna drukt hij me opnieuw tegen zich aan. Ik wil weer huilen, geen idee waarom. Causaal verband tussen Rik en huilen: definitief bewezen.

Rik richt zijn hoofd op en legt zijn hand in mijn nek. Echt. In mijn nek. Dat moet hij helemaal niet doen, daar kan ik niet tegen. Ik voel een kriebel van boven naar beneden over mijn ruggengraat kruipen.

‘Kijk me eens aan.’

Nog meer kriebels. Ik haal mijn hoofd van zijn borst en kijk hem aan, met moeite. Maak me niet wijs dat er iemand op de wereld is die moeiteloos in die ogen kan kijken. Kan niet. Bestaat niet.

‘Jij gaat afmaken waar je aan begonnen bent,’ zegt Rik. ‘Je gaat morgen gewoon luisteren wat Morris te vertellen heeft. Wat is het ergste dat kan gebeuren? En als het ontslag is: nou en? Ga je dood van ontslag? Nee. Je zoekt een andere baan, een veel leukere met aardige collega’s, en je leeft gewoon weer verder. Jij kunt dat als geen ander. Want jij bent supersmeetje!’

Ik lach.

Hij laat me los en leunt naast me tegen het muurtje. Ik zou liegen als ik beweerde dat dit me niets deed. Riks lichaam heeft een niet te ontkennen aantrekkingskracht op me. Alles in mij schreeuwt om zijn lichaamswarmte, die armen om me heen, zijn adem in mijn hals. Het smeltlachje, met of zonder het sikje. Zijn pluk haar die telkens terugvalt op zijn wenkbrauw. Ondanks al zijn foutigheid. Ondanks die rotstreek uit het verleden, zijn onbetrouwbaarheid, zijn geflirt met Kiona en wat er dan ook waar is van dat verhaal van Robbert. Alsof hij de zon is en ik de aarde die eromheen cirkelt. Altijd op afstand en toch verbonden. Maar komt hij te dichtbij, dan verbrand ik. De vraag blijft echter: wat zal ik ermee doen? Hij heeft die blonde slet. Ik heb Hugo, als ik wil. Ik vraag me af wat ik erger vind: dat Rik een vriendin heeft of dat Hugo is vreemdgegaan? Ik weet het antwoord wel. En ook wat dat zou betekenen, maar die gedachte druk ik voor nu even weg.

Alsof hij mijn gedachten kan raden vraagt Rik: ‘Hoe is het nu eigenlijk met Hugo?’ Intensief bestudeert hij zijn handen, waar ik overigens niets aan kan zien, maar het is dan ook vrij donker hier.

Ik haal mijn schouders op, zucht een keer. ‘Geen idee. Ik spreek hem vanavond. Of morgen. We hebben nu een pauze of zo. Nadenktijd.’ Ik maak een quotegebaar in de lucht.

‘Ach zo.’ Het is even stil. ‘En? Al veel nagedacht?’ Hij neemt een slok van zijn biertje.

Ik haal mijn schouders op. ‘Eigenlijk heb ik niet zoveel om over na te denken, vind ik.’ Ik zoek naar een ander onderwerp, want ik heb weinig zin om dit nu aan te snijden.

‘Hé, wat vindt je vriendin er eigenlijk van dat je Kiona verstopt daar in je boerderij?’ schakel ik over.

‘Vriendin? Heb ik het ooit over een vriendin gehad?’

Ik ben verbaasd en tegelijkertijd kriebelt er iets raars in mijn buik. Zou hij nu alweer staan te liegen of zou het echt zijn? Ik denk daar even over na.

‘Hoe kom je daarbij?’ dringt hij aan.

‘Andrea en ik hebben je laatst met haar gezien in het winkelcentrum.’

Rik trekt een frons in zijn voorhoofd. ‘De enige keer dat ik de afgelopen tijd in het winkelcentrum ben geweest…’

‘Rode jas. Blond. Knap,’ onderbreek ik hem. ‘Jullie gingen een restaurant binnen.’

‘O, wacht…’ Rik schraapt zijn keel, wil iets zeggen en zwijgt dan even. ‘Dat moet Bregje zijn geweest.’

Ik verwacht dat er nu een uitleg komt over wie zij is en vooral waarom dat veel te knappe blonde mens níét zijn vriendin is, maar Rik doet er verder het zwijgen toe. Ik wil niet aandringen om vooral niet de indruk te wekken dat het me verder ook maar iets interesseert, maar… aaarggh! 

OVER IRIS HOUX

Iris Houx is geboren en getogen in Noord-Brabant. In 2010 begon ze met het schrijven van korte verhalen en columns. Ze publiceerde o.a. in de Metro, TPO Magazine, Viva en Esta en won diverse schrijfwedstrijden. Sinds 2013 is ze columniste van Chicklit.nl, waar ze met haar humor en eigen stijl een grote groep vaste lezers aan zich weet te binden. Scoop! (juni 2016) is haar debuutroman.

OVER SCOOP!

In Scoop! neemt schrijfster Iris Houx je mee in de wereld van Esmée Evers. Esmée verhuist naar de grote stad, waar ze een baan krijgt als redactiechef. Althans, dat vertelt ze haar vriendinnen, in werkelijkheid is ze redactieassistente. Haar leugentje is lastig vol te houden als één van haar vriendinnen haar bazin wordt bij hetzelfde magazine. Wanneer een bekende tv-ster noodgedwongen moet onderduiken, krijgt Esmée de kans zichzelf te bewijzen. Ze bedenkt een plan dat niet alleen de media op zijn kop zet, maar ook haar carrière, vriendschappen en relatie...