Dit veld is verplicht

Dit veld is verplicht

Nee bedankt

Vakantiegedoe
Foto: Johner Images | HH
Zomer

Vakantie?
Wat een gedoe!

W

Waarom mensen graag op vakantie gaan is journalist Esther Wemmers een raadsel. Vriendinnen hoort ze maanden van tevoren over ‘voorpret’. Sommigen komen zelfs uitgerust weer thuis. Terwijl bij haar toch altijd weer blijkt dat ze pas écht aan vakantie toe is als ze net is geweest.

Ik associeer vakantie vooral met stress en gedoe. Ik zit niet eens zo met urenlange files in de snikhitte.

Of met volgeplaste kleuterskipakken midden op de piste. Drukte op Schiphol doet me ook weinig. In een Turks glijbaanparadijs kijk ik
’s morgens geanimeerd naar een rennende meute op weg naar veel te weinig ligstoelen. En als mijn pubers na twee dagen autorijden en vierduizend euro verder, melden dat ze graag naar huis willen omdat de WiFi in het resort ruk is en Italiaanse kinderen saai, houd ik me gewoon Oost-Indisch doof. That’s life. Of liever gezegd: zo leuk is vakantie nu eenmaal. 

Pech

Tel bij al die vakantiestress, nog wat pech op en u begrijpt waarom ik liever drie weken op mijn eigen luxe loungebank lig. Laten we voorzichtig zeggen dat ik niet bepaald word achtervolgd door vakantiegeluk. Ik herinner ze me eigenlijk liever niet, maar vooruit, hier wat voorbeelden. Scherp op het netvlies staat nog een wintersportvakantie naar Italië. Met de skibox afgeladen op het autodak, cruisen we ’s nachts met groots gemak over de Duitse snelweg. Een slopend tijdstip na weken van hard werken, maar slapende in plaats van kijvende kinderen op de achterbank maken alles goed.
Tot het deksel van de dakkoffer – vijf minuten voor vertrek nog tot de nok toe volgestouwd – met veel geweld op het asfalt klettert. Het duurt nog zeker 300 meter voordat we de harde dreun weten thuis te brengen. Inmiddels hangen de kale takken langs de A8 vol met onze sportleggings, skistokken, beha’s, langlauflatten en thermisch ondergoed.

Deksel

Met de auto half in de vangrail geparkeerd, sleep ik het deksel van de skibox nog net op tijd van het asfalt. Bijna had een aanstormende truck ’m in het pikkedonker versplinterd. Met gevaar voor eigen leven sleep ik nog wat gedeukte helmen, handschoenen, snowboots en een lege Rummikub-doos van het wegdek. Terwijl de (inmiddels ex-)man pas verder wil rijden als hij met de hulp van het piepkleine lampje op zijn mobiel, zijn GoPro-camera tussen de snelweg bosschages heeft weten te ontwaren.
Alleen dankzij het nabijgelegen benzinestation waar ze spanbanden verkopen, kunnen we weer op weg. Met gelukkig nog steeds slapend kroost op de achterbank. 

Skibox

Deze ervaring komt enkele jaren later tijdens een volgende wintersportvakantie nog goed van pas. Dan zie ik via het panaromadak hoe op een drukke zaterdagmiddag op diezelfde Duitse snelweg niet alleen het deksel, maar de gehele skibox van ons autodak glijdt. Als door een wonder krijgt de achter ons rijdende bestuurder van een dikke SUV-Mercedes het gevaarte niet dwars door z’n voorruit. Wel rijdt-ie er dwars overheen, waardoor van de net nieuw aangeschafte skisets (zes stuks) nog maar weinig over is.
Van de Duitse politie mogen we pas verder rijden als we een nieuwe skibox hebben. Maar waar haal je die vandaan op zaterdagmiddag om half vijf? Niet in de omringende dorpen, weet het gezinshoofd ons telefonisch te melden vanuit garagebedrijf nummer zes. Om warm te blijven, heb ik dan al uren met de kinderen rondjes achter de vangrail gelopen met de nieuwe hond.

Hond aan de vangrail

Ook het kroost is het inmiddels zat en zeer voorstander van mijn voorstel om gewoon net zo lang te proppen totdat alles wat eerst in de dakkoffer zat (of wat daar nog van over is), in de toch al overvolle auto zit. Net zo lang tot het past.
Met zes lagen kleding over elkaar heen, skihelmen op en koffers of schoot, blijkt het na een half uurtje duwen en trekken zowaar te passen. Na uren vertraging – het is inmiddels donker en koud – slaan we tevreden de autodeuren dicht. De grote ontspanning kan nu echt gaan beginnen.
Ik houd alleen, ook na enkele kilometers, het gevoel dat we iets zijn vergeten. O nee! Onze nieuwe raspuppy staat nog aan de vangrail geknoopt! Waar iedereen tijdens deze, op z’n zachtst gezegd, hectische middag rustig is gebleven, slaat de paniek nu alsnog in grote mate toe. Kinderen hangen krijsend uit de ramen (‘unsere Hund, unsere Hund’) terwijl de man onze auto heftig knipperend in z’n achteruit over de vluchtstrook manoeuvreert. Met de snuit recht omhoog en huilend als een weerwolf, zien we het pluizenbolletje helse minuten later gelukkig staan.

Kind vergeten

Als we eindelijk allemaal weer zitten, de hond stevig vastgeklemd in de armen van de jongste, stelt de oudste droogjes vast dat de paniek om onze kleine verharende spaniel danig groter was dan onze gemoedstoestand toen we hém twee vakanties eerder midden in de nacht op een parkeerplaats hadden achtergelaten. Ai. Daar heeft-ie een punt. Dat was inderdaad geen fraai staaltje ouderschap. En het was ook nog eens mijn schuld. 

Geen kind

Na een ontspannen wintersport – eindelijk eens een skivakantie zonder gebroken sleutelbenen – karren we aan het einde van de middag rustig terug richting Nederland. Zoonlief is wat ziekjes, dus die parkeren we met een stapel warme dekens en zachte kussens achter de bestuurdersstoel. De reis gaat voor de wind. Tot de tank bijna leeg is. Terwijl iedereen vredig ligt te slapen, mik ik de wagen vol benzine, parkeer ’m nog even snel voor het toiletgebouw en rijd na een kleine sanitaire stop weer tevreden verder. Tot de man wakker wordt, z’n telefoon aanzet en ziet dat hij twaalf gemiste oproepen heeft gemist van de oudste (13). Hij kijkt verschrikt voor zich uit, draait zich dan met een ruk om en ziet een stapel met dekens en kussen, maar geen kind. We zijn dan al 75 kilometer verder.

Slechte ouders

Gelukkig reageert de puber zelf tamelijk kalm als we hem terugbellen.
Hij was gewoon even uitgestapt om te plassen, en wordt inmiddels goed opgevangen door een afgeladen bus vol pauzerende Nederlanders.
Ze ondersteunen hem mentaal en met bekertjes warme chocolademelk. ‘Ongelooflijk, wat heb jij voor ouders’, is een vraag die hem steeds wordt gesteld, tot wij bijna een uur later weer voor het benzinestation staan.

Is het een oplossing om gewoon niet meer op wintersport te gaan? Niet echt, want de zomervakanties verlopen precies hetzelfde. Zoals die keer bijvoorbeeld dat ik, na tig pechreizen, met ferme stem aankondig dat dit keer de moeder des huizes de boel gaat regelen. Het is klaar met verregende reizen naar vage Alpenhutten. We gaan naar de zon. Naar die in Zuid-Frankrijk om precies te zijn.

Idyllisch

De door mij uitgezochte rustig gelegen camping blijkt zo idyllisch omdat-ie op 2750 meter hoogte ligt. Het hagelt er bijna dagelijks en het is er zo koud dat de ijsbrokken er ook de volgende ochtend nog gewoon liggen. Zelfs de in een bergsportwinkel voor veel geld aangeschafte poolslaapzakken houden het gezin niet warm. We nemen ons verlies en besluiten het tentenkamp op te breken. Op weg naar een écht Zuid-Franse camping!
Lang verhaal kort: na urenlang zoeken vinden we eindelijk iets in de buurt van Marseille. Weliswaar een piepkleine plek naast het discogebouw, maar vooruit. Al de eerste avond wordt de mountainbike gejat, de tweede dag komen de kinderen huilend uit het zwembad zonder hun (dure) Barcelona-tenuetjes en vanaf dag drie zitten we zonder portemonnee. Op dag vier gaan we naar huis.

Sleutelrampen

Ik zou kunnen beginnen over die keer dat we erachter kwamen dat de autosleutels nog hoog boven in een berghut bleken te liggen. Net toen we ons er zo op verheugden om na een urenlange afdaling door sneeuwvelden in een warme wagen te stappen. Of die keer dat de sleutels van de huurauto, lekker makkelijk in de zwemshort gestoken, tijdens een duik van een Griekse rots naar de bodem van de Middellandse Zee zonk, maar ik denk dat u het wel snapt. Deze zomer blijven we thuis!

Tekst: Esther Wemmers

Dit verhaal lees je in ZOMER, het magazine dat deze zomer iedere zaterdag bij De Telegraaf zit.

Gerelateerde onderwerpen